inleidend orgelspel           ‘Vater unser im Himmelreich’ – H. Scheidemann

welkom en mededelingen

zingen (a capella)          Psalm 65:1

stil gebed

votum en groet

aanvangstekst        ‘Gelukkig wie door U is gekozen en U mag naderen, hij mag wonen in uw voorhoven. Wij genieten het goede van uw huis.’ (Psalm 65:5a)

zingen                       Psalm 65:2,3

gebed om de verlichting met de Heilige Geest

schriftlezing             Lukas 18:9-14

zingen           Evangelische Liedbundel 304 ‘Vader, vol van vrees en schaamte’

verkondiging                      n.a.v. gelezen bijbelgedeelte en glas 27 ‘De Farizeeër en de tollenaar’

Gemeente van Jezus Christus,

Het glas van de Farizeeër en de tollenaar is een geschenk van de stad Amsterdam. In 1597 werd het overhandigd. In het onderste deel van het glas, de zogenaamde ‘schenkersrand’, wordt dat ook duidelijk.

Daar is het stadswapen van Amsterdam te zien.
Links zien we zelfs nog het oude stadswapen: een koggeschip. Amsterdam is immers van oudsher een havenstad, waar schepen met hun lading in- én uitvaren.


Rechts zien we het nieuwe stadswapen toentertijd, dat nog altijd in zwang is: de drie bekende kruizen. Het zijn drie (verkorte) Andreaskruizen. Deze kruizen zijn symbool voor rechtvaardigheid.

De ontwerper van dit glas is niemand minder dan Hendrick de Keyser, architect en bouwmeester van o.a. de Westerkerk in Amsterdam en het praalgraf van Willem van Oranje in de Nieuwe Kerk in Delft. Hij vond bij die rechtvaardigheid, gesymboliseerd in de Andreaskruizen, een passend bijbelverhaal: Jezus’ gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. Daar gaat het immers over wie of wat rechtvaardig is.
De Keyser en de anonieme glazenier hebben een prachtig glas ontworpen en vervaardigd.


Het middendeel trekt de meeste aandacht. Op het eerste gezicht dacht ik: die kleine figuur rechts is natuurlijk de tollenaar en de grote figuur links de Farizeeër. De gelijkenis vertelt immers dat de tollenaar op een afstand bleef staan…
Maar bij nader inzien blijkt het juist andersom te zijn: de kleine figuur rechts is de Farizeeër en de grote figuur links de tollenaar. Bij allebei – je moet echt goed kijken – bij allebei staat een altaar op de achtergrond. Ze zijn immers in de tempel om te bidden. De Farizeeër is dichtbij dat altaar: geknield en met de armen geheven.
De tollenaar links staat verder van het altaar. Sterker nog: hij staat letterlijk aan de rand van het plaveisel. Hij valt er nog net niet vanaf. De gelijkenis vermeldt inderdaad dat hij op afstand staat. De Naardense Bijbel vertaalt het nog sterker: ‘hij bleef van verre staan.’ Mogelijk stond hij in de buitenste voorhof, waar de heidenen moesten blijven, de niet-Joden. Terwijl hij toch een Jood is… Op het glas is niet alleen z’n positie ten opzichte van het altaar nederig. Ook z’n houding zelf: hij durft niet omhoog te kijken. Hij slaat z’n ogen neer, z’n hoofd is gebogen, z’n linkerhand slaat hij op z’n borst als teken van boete en berouw en z’n andere hand is naar ons gericht. En we géven hem waarschijnlijk graag een hand. Hij is ons sympathiek geworden, door Jezus’ gelijkenis, maar hier toch ook wel door de wijze waarop hij hier   levensgroot is afgebeeld.

Nee, dan die Farizeeër. Dat benepen mannetje op het glas. Farizeeën staan er bij ons niet best op. ‘Farizeeër’ is zelfs een scheldwoord geworden, dat synoniem staat voor ‘huichelaar’. Toch doen we hen daarmee geen recht. De Farizeeën waren in Jezus’ dagen echt een geestelijke volkspartij, die veel dichter bij de mensen stonden dan de elitaire Sadduceeën. Ze maakten ernst met Gods geboden. Ze wilden dat het volk in dat spoor ging, om zo God te eren, om bewaard te blijven tegen assimilatie, tegen afval. Daarin werden ze zeer gerespecteerd.
En dan de tollenaars. Die stonden er heel anders op bij het volk. Zij waren voor hen toch een soort NSB-ers, collaborateurs, omdat ze samenwerkten met de Romeinse bezetter. Voor hen belastingen inden. Maar vaak niet op een eerlijke manier. Ze staken een deel in hun eigen zak. Fraudeerden. En konden daarin ook nietsontziend zijn naar hun volksgenoten. Kortom: tollenaars werden verguisd en gehaat.
Maar waarom gaat dan in die gelijkenis van Jezus de tollenaar gerechtvaardigd naar huis en de Farizeeër niet?! Dat staat toch haaks op de verwachtingen van Jezus’ tijdgenoten?!
Inderdaad. Maar de kernvraag hier is dus: wat of wie is rechtvaardig? Het gaat Jezus om de intentie, om het hart. Anders gezegd: waarom zijn ze eigenlijk in de tempel? Wat zoeken ze?
Nou, de Farizeeër zoekt ten diepste niets. Maar hij is daar toch om te bidden?! Zeker, maar waar bidt hij dan om? Waar vraagt hij om? Eigenlijk niets. Hij dankt God. Zeker. Maar niet voor Gods grote daden, voor wie Hij is. Nee, hij dankt God dat hij zelf niet is als andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn. Als díe tollenaar. En je hoort de minachting er vanaf druipen. Vervolgens somt hij op wat hij allemaal doet: tweemaal per week vasten (veel vaker dan geboden was) en dat hij een tiende van al zijn inkomsten afdraagt (veel meer dan gevraagd). Alsof hij zijn scoringslijstje bij God indient. Het is een anachronisme, maar op het glas vind ik de pose van de Farizeeër ook wat weg hebben van een voetballer die net gescoord heeft. Regelmatig zie je daarbij toch ook de meest vreemde poses, waarbij voetballers het liefst hun eigen feestje willen vieren: ‘Kijk mij eens!’
Nou, daar draait het bij die Farizeeër ook om, om zijn eigen ik. Daar begint het al mee in vers 11. De Naardense Bijbel vertaalt scherpzinnig: ‘De Farizeeër (…) heeft over zichzelf dit gebeden…’ ‘Over zichzelf’. Ja, het ging vooral over zichzelf: ik dit, ik dat, ik zus, ik zo. Ik, ik, ik. Hij heeft zich opgeblazen tot een ‘dikke ik’, zoals dat tegenwoordig heet. En daarbij vallen anderen in het niet, daar kijkt hij op neer. Dat is inherent aan hoogmoed. Dat je vanuit die hoogte op anderen neerkijkt, zodat jij zelf daar nog meer van groeit.
Maar zo wordt hij niet gerechtvaardigd. Hij zocht niets. Hij ontvangt dan ook niets. Dan sta je uiteindelijk met lege handen. Of zoals Jezus concludeert aan het eind van de gelijkenis: ‘Wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden.’

De tollenaar heeft zichzelf niet verhoogd. Zijn ik is niet dik. Integendeel. Hij beseft wat hij allemaal misdaan heeft en wie hij is voor de algoede God. Zijn handen staan niet triomfantelijk omhoog, maar de één slaat hij op zijn borst, uit diep berouw en de ander hangt naar beneden. Hij heeft niet veel te zeggen over zichzelf. Alleen dit: ‘ik zondaar.’ Geen scoringslijstje. Geen pluspunten. Nee: ‘zondaar’, oftewel: ik heb m’n doel gemist. Uw doel. Met dat ene woord is hij eerlijk naar God. Zo ben ik: zondaar. Hij heeft z’n masker van geslaagde en gewiekste tollenaar afgezet. Dit ben ik: ‘arm en naakt.’
Ja, over naakt gesproken. Op het carton van dit glas, zeg maar de getekende voorstudie op papier, op het betreffende carton zien we de tollenaar in dezelfde houding, maar met aanmerkelijk minder kleren aan. Hij staat in z’n blote billen. ‘Moede kom ik, arm en naakt’, zingt een oud gezang.

Zó is de tollenaar uiteindelijk niet op het glas terechtgekomen. Misschien vond men dat too shocking voor de kerkgangers, zeker omdat het glas direct achter de preekstoel hangt… Maar gelukkig zijn al die cartons wel bewaard gebleven en laat het ons maar wakker schudden: voor de heilige God staan we in ons nakie, hebben we niets te verbeelden.

Op het uiteindelijke glas heeft de tollenaar netjes een broek aan. Maar de kleuren van zijn kleding zijn ook veelbetekenend. Sowieso vallen de kleuren op, omdat het grootste deel van het glas in lichtbruine tinten is. Zodoende komen die kleuren, bijvoorbeeld bij de tollenaar, nog beter uit. Blauw en rood zijn de hoofdkleuren van zijn kleding. En wat krijg je als je blauw en rood mengt? Juist: paars! Purper. En dat is precies dat deel van zijn kleed waar hij met z’n linkerhand op slaat: waar z’n borst, z’n hart achter schuilgaat. Purper is niet alleen de kleur van het lijden, maar ook van boete, van berouw. En daarmee is het hart van de tollenaar gevuld.
Hij heeft niets aan te bieden dan dit hart en z’n lege handen. Ja, híj zoekt wél iets. Híj bidt wel, hij smeekt om… genade: ‘God, wees mij zondaar genadig.’ Zo bidt hij om vergeving, om verzoening. Zouden die rode tinten in zijn kleding daarop duiden?
Zo vernedert hij zich, maakt hij zich klein voor God. Hij blaast zich niet op, kijkt hij niet op anderen neer. Hij heeft het helemaal niet over anderen. Hij is hier voor zichzelf. Voor z’n verknalde leven. Voor z’n missers en z’n tekort.
Zoals gezegd: hij heeft op het glas zijn rechterhand uitgestoken naar de toeschouwers, naar ons. Alsof hij zeggen wil: en jij? Wat zoek jij hier in de kerk? Waarom ben je gekomen? Hoe ben je gekomen? Als iemand die tevreden is met zichzelf? Als iemand die neerkijkt op anderen? Die van anderen van alles vindt en te zeggen heeft? Of als iemand die met lege handen is gekomen? Die weet hoe het weer mis is gegaan de afgelopen week? Die z’n masker heeft afgelegd. Die bij wijze van spreken in z’n nakie staat. Die het helemaal moet hebben van Gods goedheid, van de genade in Christus?

Nu is er wel een valkuil bij deze gelijkenis. Kierkegaard verwoordde die eens haarscherp: ‘Het christendom kwam in de wereld, en leerde dat je niet hoogmoedig en ijdel jezelf op de eerste plaats moet zetten aan het feestmaal, maar de laagste plaats moet kiezen en weldra zaten hoogmoed en ijdelheid ijdel en wel onderaan, op de laagste plaats, dezelfde hoogmoed, nee zelfs een ergere. Sinds Jezus de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar heeft gesproken, bidt de Farizeeër als een tollenaar.’ Aldus Kierkegaard. In twee woorden: nederige hoogmoed. Dan worden nederigheid en schuldbesef ook iets waarmee we in aanzien denken te moeten stijgen.
‘Ja, dominee,’ zei een vrouw tijdens een huisbezoek, ‘ik besef het héél goed: ik ben een zondig mens…’ ‘Nou’, zei de dominee, dat is wel frappant, gisteren sprak ik uw buurvrouw, en die zei dat ook al over u!’ ‘Wát zei ze?!’ zei de vrouw, en ze werd rood van kwaadheid. Blijkbaar was dat schuldbesef alleen maar iets om toch weer groot mee te worden…
Laten we eerlijk zijn: echt lege handen zijn blijkbaar nog niet zo eenvoudig. Het zit ons in het bloed wél iets aan te dragen. Zo hoor ik nog wel eens bij rouwbezoeken: ‘Als hij, als zij niet in de hemel is, dan weet ik het niet meer.’ Maar eigenlijk is dat wantrouwen tegenover Gods ontferming, tegenover zijn volstrekt onvoorwaardelijke liefde. Blijkbaar vinden we het moeilijk om het daar voor 100 % van te verwachten en daarop te vertrouwen. Terwijl het eigenlijk zo bevrijdend is. Dat je jezelf niet hoeft te rechtvaardigen, maar dat je gerechtvaardigd wordt. Dat gerechtigheid niet iets is wat je moet verdienen, maar wat je ontvangt. Omdat er Eén het verdiend heeft: Jezus Christus. Hij heeft het volbracht. Er hoeft niets bij. Niet voor niets is het symbool van de rechtvaardigheid een Andreaskruis. Door het kruis van Christus, door zijn lijden en sterven, worden we gerechtvaardigd. Van ons worden alleen maar lege handen gevraagd, zodat Hij ze kan vullen.

Amsterdam gaf dit glas aan Gouda, voor haar stadskerk. Wat wilde Amsterdam hiermee zeggen? Beste Gouwenaren, jullie kunnen van ons leren wat rechtvaardigheid, wat nederigheid is?
Of moet je het nog breder zien. Het glas werd namelijk midden in de Tachtigjarige Oorlog geschonken. Is Spanje dan als de hoogmoedige Farizeeër? Dat wilde immers de hele wereld aan zijn voeten leggen… En zijn de Nederlanden dan nederig en bescheiden?
Het ging Amsterdam na die schenking in 1597 steeds meer voor de wind. De stad groeide en bloeide. Was dat de verhoging waar de gelijkenis over spreekt en wat het prachtige exterieur op het glas laat zien: een schitterend renaissancistisch gebouw? Mensen in die tijd noemden Amsterdam zelfs het ‘Jeruzalem van het Westen’, en niet zozeer omdat er veel Joden woonden… Maar datzelfde Amsterdam was ook de bakermat van de slavenhandel, waarbij mensen als handelswaar verscheept werden, onder de verschrikkelijkste omstandigheden, waarbij ook mensen geminacht werden. En dan zijn we toch weer bij die Farizeeër…

Ach, dit glas, met de bijbehorende gelijkenis, lijkt mij een spiegel, waarbij we vooral naar onszelf moeten kijken. Hoe is het met mijn hart? Welke maskers zet ik op? Waarom kom ik naar de kerk? Wat zoek ik bij God, bij Christus? Hoe nederig ben ik werkelijk? Hoe kijk ik naar mensen? Hoe behandel ik hen? Hoezeer leef ik echt uit genade?

Nog één ding… Zoals zoveel gelijkenissen heeft ook deze een open einde. Hoe zal het verder gegaan zijn met die tollenaar? Zou hij veranderd zijn? Anders gaan leven, werken?
In het volgende hoofdstuk in het Lukasevangelie lezen we een verhaal over een tollenaar waarbij het verder gaat. Zelfs een hele bekende tollenaar. Zacheüs heet hij. Hij laat zien hoe je leven verandert als je Jezus leert kennen. Als Christus in je leven thuiskomt.
Kijk, zou het allemaal onveranderd blijven, – want ach: God is toch genadig, Jezus is toch gestorven voor onze zonden?! – dan maak je de genade goedkoop, zei Bonhoeffer. Dan gooi je deze te grabbel. Maar ze is kostbaar, want het heeft God alles gekost: zijn eigen Zoon. Dan zal die genade voor ons toch ook kostbaar zijn en ons werkelijk veranderen?!

Volgens mij zie je dat terug in de bovenrand van het glas. Dat lijkt een beetje versiering, maar vergis je niet. Je ziet vier beelden staan: twee staande beelden en twee zittende op het dak. Het zijn de vier hoofddeugden. Links, met zwaard en weegschaal, is dat de gerechtigheid. Rechts, met waterkruik en glas, is het matigheid. Links bovenaan, met boek, is dat voorzichtigheid. En rechts bovenaan, met gebroken pilaar, is dat moed.
Het zijn allemaal deugden die horen bij een christelijke levensstijl. Bij het nieuwe leven zeg maar. Op de balustrade zie je nog twee mensen staan. Eentje kijkt naar beneden, de ander juist naar de beelden. Alsof dat zeggen wil: er is verbinding tussen beneden en boven op het glas, tussen dat gerechtvaardigd zijn én gerechtigheid doen. De basis is de genade, die de tollenaar onverdiend ten deel valt. Daaruit voort komen die deugden. Ze zijn ook vrucht van de Heilige Geest, zou Paulus schrijven.
Over vruchten gesproken. Die soort slinger, een guirlande noem je die plechtig, op de bovenkant van de tempel bestaat uit allerlei vruchten en bloemen. Uit die nederigheid, uit die lege handen, die gevuld worden met zijn genade, mag je opbloeien, zal de vrucht van de Heilige Geest, gerechtigheid, matigheid (oftewel zelfbeheersing), voorzichtigheid (oftewel fijngevoeligheid) en moed (zoals vrijmoedigheid) in je leven groeien, rijpen én geproefd worden.

De tollenaar steekt zijn hand naar je uit… Wat doe je?
In een moment van stilte overdenken en overwegen we dit…

(STILTE)

Daarna het gebed VERGEEF ONS GOD  van ds. André Troost

muzikaal meditatief moment: ‘Es gingen zweene Menschen hinauf in den Tempel zu beten’, SWV 444 – H. Schütz door Gerben Budding (orgel en zang) en Gerben de Jong (zang)

zingen (als geloofsbelijdenis) Hemelhoog 479 ‘Heer, U bent mijn leven’

dankgebed en voorbeden    afgewisseld met een gezongen ‘Kyrie’ uit Taizé

inzameling van de gaven  t
ijdens de collecte zingen en spelen Gerben Budding en Gerben de Jong’Er höre mich, Gott’ van H. Schütz

zingen           Gezang 423:1,2,3

zegen

Met dank aan de Stichting Goudse Sint-Jan voor het beschikbaar stellen van de gebruikte afbeeldingen