de orde van dienst:
aanvangslied Gezang 177:1,2
stil gebed
votum en groet
openingstekst ‘Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open. Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders deed Hij zijn mond niet open.’ (Jesaja 53:7)
zingen Gezang 187:1
gebed om de verlichting met de Heilige Geest
schriftlezing Openbaring 5
zingen Gezang 476:2
tekstlezing ‘Midden voor de troon, tussen de vier wezens en de oudsten, zag ik een lam staan. Het zag eruit alsof het geslacht was…’ (Openbaring 5:6a)
verkondiging
Gemeente van Jezus Christus,
Eén van de aangrijpendste vertolkingen van het Lijdensevangelie buíten de Bijbel vind ik de gevangenneming en de dood van Aslan in het kinderboek ‘Het betoverde land achter de kleerkast’ van C.S. Lewis. De leeuw Aslan, koning van het rijk Narnia, en beeld voor Jezus, gaat vrijwillig naar de witte heks toe, zijn grote tegenstander. Aslan biedt zichzelf aan als plaatsvervanger voor een schuldig mensenkind. De heks en haar trawanten weten niet wat ze meemaken: dat die majestueuze leeuw zich gevangen laat nemen! Ze werpen zich op hem en binden hem vast. En voordat de heks haar mes in zijn hart plant, heeft ze nog een ingemeen idee om Aslan op ultieme wijze te vernederen: zijn machtige manen moeten worden afgesneden. En met zo’n schaar waar ze normaal schapen mee kaalscheren – let op dit detail! – worden zijn manen afgeknipt. Opeens zien ze hoe klein en anders Aslans gezicht er nu uitziet. ‘Hé, eigenlijk is het maar gewoon een grote kat!’ wordt er geroepen. ‘Zijn we dáár nou zo bang voor geweest?’ roept een ander. En ze drommen om Aslan heen en spotten met hem. Ze roepen: ‘Poes, poes! Poessiemauw!’ en: ‘wou je een schoteltje melk, poessie?’
Dit tafereel wordt gadeslagen door Lucy en Susan, twee meisjes die juist zo van Aslan houden. Ze zijn verbijsterd: ‘O, hoe kunnen ze! De valseriken! zegt één van hen. Maar tegelijkertijd vinden ze het kaalgeschoren gezicht van Aslan er nog veel dapperder en mooier en geduldiger uitzien dan ooit tevoren.
Van een leeuw naar een kat: vernederender kan toch bijna niet. Van de machtige koning van het dierenrijk naar een kale en kwetsbare huiskat… Ik moest daar aan denken bij dat indrukwekkende troontafereel dat Johannes te zien krijgt in een visioen. Hij krijgt een blik in de hemel. Ook daar horen we van een leeuw: dé leeuw, van Juda, één van de koningsnamen voor Christus, één van zijn titels als Messias. Maar opeens verschuift het beeld. Van een leeuw naar een lam. In het Grieks staat er zelfs een verkleinwoord: een lammetje. Kwetsbaarder kan niet. Zo verschijnt Christus daar in dat visioen. En het wordt zelfs het lievelingswoord voor Hem in het boek Openbaring: maar liefst 29 keer wordt Hij daar zo genoemd: het Lam. ‘En’, wordt er in onze tekst bij gezegd: ‘het zag eruit alsof het geslacht was.’ Het is niet zomaar een lam, maar een geslacht lam. Het litteken bij de hals wijst er onomstotelijk op. Dat doet denken aan het geslachte lam bij Pascha, waarvan het bloed aan de deurposten werd gesmeerd. Het doet denken aan die lammeren die elke dag in de tempel geslacht en geofferd werden: één bij het morgen- en één bij het middagoffer. Het doet vooral denken aan die aangrijpende woorden over de Lijdende Knecht des Heren, over de Messias, uit Jesaja 53, waar we deze dienst mee begonnen: ‘Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi dat stil is bij haar scheerders deed Hij zijn mond niet open.’ Ja, hier in dit visioen zien we de uitbeelding van wat er gebeurt met Goede Vrijdag: Christus die zo vernederd wordt, die zich zo láát vernederen. Hij wordt gedood, afgeslacht door mensen die Hem zo de wereld uitwerken, hun leven uitbannen. Maar Hij laat het gebeuren. Hij verzet zich niet. Zwijgend laat Hij zich offeren, als een lam. Waarom? Jesaja mocht het geheim ervan al ontdekken: ‘Om onze zonden werd Hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd Hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing. Wij dwaalden rond als schapen, ieder zocht zijn eigen weg; maar de wandaden van ons allen liet de HEER op Hem neerkomen.’ Het is het geheim van de plaatsvervanging, van de goddelijke en wonderlijke ruil: Hij voor mij. Mijn zonden op Hem en ik vergeving. Alle rampen op Hem en ik welzijn. De striemen op zijn rug en ik genezing. De dood voor Hem en ik leven, eeuwig leven.
Die wonderlijke ruil mogen we straks proeven in dat stukje brood en dat slokje wijn: verwijzingen naar zijn lichaam en zijn bloed, waarmee Hij ons vrijkocht, waarmee Hij ons tot koningskinderen en priesters maakte, jubelen de hemelbewoners in dat visioen. Weet u trouwens hoe het avondmaalsbrood in de oosters-orthodoxe avondmaalsviering heet? ‘Een lam’! Veelzeggend! Als wij straks het avondmaal vieren, juist op Goede Vrijdag, dan mogen we net als Johannes als het ware de hemel in kijken en daar dat Lam zien, staande als geslacht.
Ja, heeft u dát detail ook opgemerkt? Dat lam ligt niet als geslacht: vastgebonden, met een haal langs de keel. Hij hangt ook niet met zijn poten aan een haak als in een slachthuis. Nee, Hij stáát! Hij staat rechtop. Want Hij is ópgestaan, Hij leeft! De klassieke Statenvertaling heeft dat prachtig in één korte omschrijving gevangen: ‘een lam, staande als geslacht.’ Dit is toch de paradox van het christelijk geloof?! Zwakheid en kracht. Vernedering en verhoging. Dood en leven. Gestorven en opgestaan. Ja, Goede Vrijdag en Pasen in één omschrijving. Of zoals iemand zei: daar is zelfs één woord voor: Kruispasen. Ja, want we mogen dat bij Christus ook nooit uit elkaar halen, gemeente. De Gekruisigde is de Opgestane en de Opgestane is de Gekruisigde. We gedenken straks aan de avondmaalstafel ook geen dode Christus, maar een levende! En die levende is ook de Lijdende. De meelijdende, ‘de Hogepriester die’, zoals de Hebreeënbrief zo ontroerend zegt, ‘mee kan voelen met onze zwakheden.’ Een lam, staande als geslacht. Hij staat. Hij leeft. Wat een bemoedigend visioen! Wat een troost! Zoals die oudste tegen Johannes zegt in vers 5: ‘Wees niet verdrietig. Want de leeuw uit de stam Juda, de telg van David, heeft de overwinning behaald.’ En die laatste woorden zijn in het Grieks precies hetzelfde als die woorden die Jezus aan het kruis riep: ‘het is volbracht!’ Dat was geen zachte verzuchting van Jezus, maar een overwinningskreet: het is volbracht, de missie is volbracht, het doel is bereikt! De zonde, de duivel en de dood zijn verslagen. Als u straks het brood eet en de wijn drinkt, dan smaakt dat naar de overwinning. Het avondmaal is ook een overwinningsmaal!
Deze leeuw van Juda, die tegelijk een lam is, deze gekruisigde en opgestane Heer, is ook de enige die het verdient, die het waard is, om die boekrol te ontsluiten. Een boekrol die maar liefst met zeven zegels verzegeld is: top secret dus. Dat staat voor de toekomst van deze wereld, beter gezegd: de plannen die God met deze wereld heeft. Die toekomst hebben wij niet in handen. O nee, wij zijn kleine, kwetsbare en ook schuldige mensen, die Gods geheimen niet kunnen bevatten, die de wereld niet beter maken. Dat bewijzen we keer op keer. Maar dit lam, volmaakt en uniek in zijn liefde - kijk maar hoe ver Hij daarin ging: de littekens staan nog in zijn handen en voeten; staande als geslacht - dit lam, deze Here Jezus Christus, kan en mag die boekrol wel openen.
Wat een geweldige troost: als wij deze wereld bezien en ons hart vasthouden: waar moet het heen? Waar loopt het op uit? Juist deze week komen deze vragen met extra klem op ons af. De zgn. ‘terreurdeskundigen’ weten het al: minstens 10 jaar zullen we te maken hebben met terreurdreiging. Maar zulke vragen gelden ook voor de boekrol van ons eigen leven zeg maar: wat staat mij te wachten? Wat kan er allemaal niet gebeuren? Hoe houd ik het uit? Dan troost ons dit visioen: Hij is er. Hij die het waard is om die boekrol te openen. Hij heeft de sleutel voor ons leven. In zijn handen is het geborgen, veilig en heeft het toekomst. Hij heeft de hele wereld in zijn handen. Hij regeert. O ja, op een verborgen wijze. Op een kwetsbare wijze: Hij is een lam. Hij is zachtmoedig. En nederig. En die weg hebben wij ook van Hem te leren. Christus volgen is geen kwestie van krachtpatserij, van al te grote woorden, van successen aan de vleet. Nee, het is een kruisweg, van klein worden, van woorden op het juiste moment en niet te vergeten: daden van liefde en zelfverloochening. Dat is dus een smalle weg, maar wel een weg die aankomt. Een weg waarop we ons telkens op Hem richten. Net als Johannes. Dan mogen we Hem met de ogen van het geloof zien staan. Het is zo veelzeggend. Want staan is zoveel actiever en betrokken. Zo staat Christus daar, aan de rechterhand van de Vader, om ons bij te staan! Op onze weg, in onze strijd, in ons lijden, en in onze vreugde. Opvallend is dat in vers 1 van ons hoofdstuk staat dat God zit op de troon. Maar het Lam staat. Ik las ergens: ‘wie staat, ziet verder dan wie zit. God kijkt met de ogen van het Lam. Wij zouden dat ook moeten doen.’ Jazeker, want dan zien we ook meer… Amen
zingen Evangelische Liedbundel 374
lezing avondmaalsformulier tot en met gebed
zingen Gezang 357:1,5,6
nodiging (ook van gastleden!!!), uitdeling en communie
lezen aan tafel Johannes 19:16b-30)
zingen aan tafel Psalm 31:1,2,3
dankgebed en voorbede
inzameling van de gaven
slotlied Gezang 195:1,4,5
zegen