orgelspel 

welkom en mededelingen door ouderling van dienst

zingen           Evangelische Liedbundel 177:1,2 ‘Halleluja, prijst de Onbegonnen’      

stil gebed

votum en groet 

openingstekst         Nog voor de bergen waren geboren, voor U aarde en land had gebaard – U bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid.’ (Psalm 90:2)

zingen           Lied 90a ‘O God, die droeg ons voorgeslacht’

gebed                       

schriftlezing 1      Psalm 102:1-12

zingen           Psalm 102:1 ‘Heer, hoor mijn gebed, laat blijken’

schriftlezing 2         Psalm 102:13-23

zingen           Psalm 102:6 ‘Gij, Heer, troont te allen tijde’

schriftlezing 3         Psalm 12:24-29

zingen           Psalm 102:13 ‘Gij, dezelfde, gisteren, heden’

verkondiging

 Gemeente van Jezus Christus,

In december komt Spotify altijd met een lijstje welke muziek en welke podcasts je het meest beluisterd hebt in het afgelopen jaar. Ik zal u niet vermoeien met dat van mij, maar ik dacht wel: stel dat er ook zo’n lijstje zou zijn voor de bijbelgedeelten die ik vaakst heb gelezen bij mijn pastorale bezoeken in het afgelopen jaar...Ik weet zeker dat de Psalmen daarin bovenaan zouden staan. Ook in de afgelopen week nog las ik aan het eind van m’n bezoeken een Psalm. Eigenlijk past bij ieder pastoraal bezoek wel een Psalm. Waarom? Waarom spreken juist die Psalmen zo aan? Dominee-dichter Geert Bogaard dichtte in dit verband, en het past trouwens ook helemaal bij deze oudjaardienst:

DE PSALMEN

De psalmen staan
beschermend om mij heen.

Zij zingen dat mij
alles is vergeven.

Geen stem spreekt er
het schuldig uit, niet één.

Je zult niet sterven,
klinkt het, je zult leven.

Dat ik er was,
staat eenmaal op een steen.

Dat ik er zijn zal,
staat bij God geschreven.

Ook vanavond, in deze laatste kerkdienst van het jaar, staat een Psalm centraal: Psalm 102. In de Vroege Kerk werd deze Psalm gerekend tot de zeven boetepsalmen. De andere zijn Psalm 6, 32, 38, 51, 130 en 143. Nu wordt er in Psalm 102 niet letterlijk boete gedaan, er staat geen letterlijke schuldbelijdenis in, maar het is wel een Psalm waarin de menselijke kleinheid, z’n kwetsbaarheid wordt geuit. Op een hele eerlijke wijze. Het wordt allemaal opgebiecht.  

Ja, in Psalm 102 is iemand aan het woord – een naam heeft hij niet - die flink in de penarie zit. Hij is ziek, doodziek zelfs. Hij is bang dat het snel afgelopen is met hem. Hij heeft gloeiend hoge koorts. Het eten smaakt hem niet; zo ziek, maar ook zo verdrietig en eenzaam is hij. Tot overmaat van ramp wordt hij door zijn vijanden bespot en gesmaad, die daar nu zeker alle reden toe hebben. Het is één lange litanie, een reeks van klachten, waarin de woorden ‘ik’ en ‘mijn’ voortdurend vallen: zo klein is zijn wereld geworden. Hij ziet niets anders meer dan z’n eigen leed. En toch stamelt hij het niet maar een beetje voor zich uit of slingert hij het de lege ruimte in. Nee, hij legt het allemaal neer bij God. Deze Psalm, deze klacht, is een gebed. Zo begint hij z’n lied ook, vers 2: ‘HEER, hoor mijn gebed.’
Terwijl hij letterlijk wakker ligt van die hele verschrikkelijke toestand en al die scenario’s aan hem voorbijtrekken, de één nog erger dan de ander – en ’s nachts voelt alles ook erger en donkerder - als al die gedachten door elkaar heen tollen, dan spreekt hij het uit naar God, vertelt Hem ervan en houdt niets achter.

Heb je dat wel eens gedaan, als je wakker lag en je ligt te woelen en te piekeren, als de angsten je in de greep krijgen, als de zorgen steeds zwaarder wegen, om het tegen God te vertellen, om het met Hem te delen, zonder reserves? Die weg wijzen de Psalmen ons, juist ook die klaagpsalmen. Niet voor niets staan er daarvan minstens net zo veel in het boek van de Psalmen als lofpsalmen. Klagen mag. Als je je klachten maar richt op de HERE God. Als je ze maar richting geeft in een gebed, eerlijk alles aan God voorlegt.

Dat is ook de ontdekking van die anonieme dichter van onze Psalm van vanavond. Z’n hele situatie heeft alles met God te maken. Vers 11: ‘U tilde mij op en smeet mij neer.’
En dan vindt er een soort wonderlijke wending in de Psalm plaats. Een ommekeer. Vanaf vers 13. Het is alsof die Psalmist hardop gaat nadenken: ‘God…. wie is God eigenlijk? …. Maar U, HEER, troont voor eeuwig, uw roem zal duren, geslacht na geslacht.’ Echt een ommekeer van 180 graden. Die klacht verandert in een lofprijzing: ‘U, HEER, troont voor eeuwig. U blijft er altijd.’

Ja, het eerste dat die dichter noemt, als hij zich richt op God, als hij die draai van 180 graden maakt, die U-bocht zeg maar, van zijn eigen kleine ellendige wereld naar de ruimte van wie God is, dan noemt hij Zijn eeuwigheid.
Zouden wij dat ook doen? Is het niet veel begrijpelijker om dan te beginnen over Gods nabijheid? Zoals bijvoorbeeld zoveel Opwekkingsliederen doen. Over God die ons omarmt, die een schuilplaats is, die geborgenheid en rust geeft. Dat is allemaal toch veel voorstelbaarder en wenselijker dan Zijn eeuwigheid?! Dat klinkt juist zo veraf, zo onvoorstelbaar, zo statisch ook. Hoe kan God, die eeuwig is, zich bemoeien met ons tijdelijke, vluchtige leven?
Nu is dat voor die Psalmist juist helemaal geen vraag. Dat God eeuwig is, is voor hem juist een aanleiding om van God veel te verwachten. Kijk maar hoe het verdergaat in die Psalm, in vers 14: ‘U zult opstaan en U over Sion ontfermen.’ Dat God eeuwig is, betekent dat de tijd Hem niet kan beperken. Dat Hij niet ouder wordt, dat Hij niet voorbijgaand is, maar dat Hij er juist altijd voor ons kan zijn.

Augustinus noemde Gods eeuwigheid een eeuwig heden. Dat is heel diepzinnig. Misschien kan ik het wat beeldender proberen duidelijk te maken. Als ons tijdelijk leven nu een lijnstuk is, van onze geboorte tot onze dood, dus met een begin en een eind, dan is Gods eeuwigheid een cirkel, dus zonder begin en eind, maar wel een cirkel om dat lijnstuk van ons heen. Vanuit die cirkel is dat lijnstuk altijd en overal te bereiken. Met andere woorden: God als de Eeuwige kan dus altijd in die tijd ingrijpen, aanwezig zijn. Dan is Zijn eeuwigheid dus niet iets afstandelijks en statisch, maar juist heel nabij en dynamisch.

Die dynamiek krijgt ook vat op die dichter van Psalm 102. Ik weet niet of het u is opgevallen, maar na die eindeloze litanie van vers 1 tot en met 12, waarin het alleen maar draaide om zijn eigen ellende, die hij eerlijk onder woorden bracht, gaat het vanaf vers 14 helemaal niet meer over hemzelf alleen, maar over Sion, over de volkeren, wordt het zo’n veel breder perspectief.
En dan te bedenken dat op het moment dat hij de Psalm dicht, het volk Israël verbannen is naar Babel, Jeruzalem aan puin ligt en die klacht van het eerste deel zo herkenbaar is voor vele Israëlieten. De eenzaamheid; het gevoel dat God hen niet hoort en zich verborgen houdt vanwege hun zonden; de spot van de vijanden; ja, het is hun allemaal op het lijf geschreven. Maar één van hen, die anonieme dichter, heeft het onder woorden gebracht, en vooral: heeft het naar God toe onder woorden gebracht en is boven alles weer onder de indruk geraakt wie God is, van Zijn eeuwigheid, van Zijn eeuwige heden zeg maar en vandaaruit verwacht hij veel van God. Niet alleen voor hemzelf. Nee, daarover heeft hij het niet meer. Hij verwacht veel voor het hele volk, voor het land, voor de andere volken.

Wat een wijze les ook voor ons, gemeente. Je kunt je zo blindstaren op je eigen nood, op je eigen ellende, maar God wil je verder leren zien. Op wie Hij is. En van daaruit ga je dan ook breder zien: op anderen die lijden, dichtbij en ver weg. Dan ga je verder kijken dan je eigen leven, je eigen situatie, je eigen kerk, je eigen land. Dan betrek je ook hen in je gebed, die misschien zelf geen woorden meer hebben om het te uiten, geen tranen meer hebben om te huilen. Hen draag je op aan Gods troon, en vanuit Zijn eeuwige heden mag je vragen om verandering, om genezing, om vernieuwing.
Die dichter van Psalm 102 doet het, of misschien beter gezegd: krijgt het. Dat nieuwe perspectief. Dat brede perspectief. En hij ziet het voor zijn geestesoog verschijnen - ja de bidder is een profeet geworden - Jeruzalem waar de lof weer zal klinken, waar mensen zich zullen verheugen in Gods naam en van heinde en verre zullen komen om Hem te dienen. Een hoopvol perspectief ook voor nu, als het over de huidige situatie van Israël, de Palestijnen en de andere volken gaat…

Je zou dan een ‘amen’ of op z’n minst een ‘halleluja’ verwachten bij vers 23. Wat een climax! In die Psalm die begon als een donker klaaglied en veranderde in een licht en hoopvol loflied.
Maar de Psalm gaat verder, en hoe, vers 24: ‘Hij (= God) heeft halverwege mijn kracht gebroken (…). Ik smeek: Mijn God, neem mij niet midden in het leven weg.’ Nou moe! Zo zijn we toch weer terug bij af ?! Die dichter gaat weer gewoon verder met zijn eigen klacht, alsof er niets gezegd is! Valt dat eigenlijk niet heel erg tegen van die bidder die een profeet geworden was, die zo boven alles uitgetild was? Zakt hij hier weer niet compleet door het ijs als hij weer over zijn eigen ellende begint?

Ach, iedereen die zichzelf een beetje kent, en die vooral eerlijk is, zal het minder vreemd vinden. Ook als je terugkijkt naar het afgelopen jaar. Hoe bepaalde donkere gedachten, bepaalde duistere scenario’s, bepaalde angsten en twijfels weer terugkwamen, soms zelfs met dubbele kracht. Je dacht er van verlost te zijn. Je kreeg dat andere perspectief, die rust en die vreugde, juist ook hier in de kerk, maar daar kwamen ze weer: die angsten, die twijfels, die zorgen.
Als je gelooft, als je vertrouwt op de Here God, op Zijn leiding, op Zijn aanwezigheid in je leven, wil dat toch niet zeggen dat er geen aanvechtingen zijn? Als je er door God bovenuitgetild bent, betekent dat toch niet dat je nooit meer onderuit kunt gaan?! Ik vind het juist zo ontzettend eerlijk dat de Psalm dit noemt, dat het die golfbeweging van het geloof niet wegpoetst.

In dat laatste deel, die laatste klacht van de psalm, is het vooral de angst voor de dood, voor een vroegtijdige dood, die geuit wordt: ‘God, neem mij niet midden in het leven weg’. Ik herken die angst. Daar kan ik ook wel eens wakker om liggen. U, jij, misschien ook wel. En dan ben ik dankbaar voor zulke psalmen. Misschien heb ik ze daarom in het afgelopen jaar zo vaak gelezen, ook voor mezelf dus…
Die Psalmen, waarin zulke angsten, maar ook twijfels en andere donkere gevoelens, komen eerlijk naar voren, al is het tot herhalens toe. Dat maakt die Psalmen ook zo modern, zo herkenbaar, zo onmisbaar in onze relatie met God en de werkelijkheid, om en in ons.

Maar ook nu komt er weer zo’n wending. Nu ook sneller dan in het eerste deel van de Psalm. Daar duurde het twaalf verzen, voordat die dichter hardop ging nadenken over God, zich op de Eeuwige richtte. Nu is het binnen twee verzen, de tweede helft van vers 25: ‘Uw jaren duren van geslacht op geslacht.’ Weer een verwijzing naar Gods eeuwigheid. En dit keer werkt de dichter dit verder uit. Hij verwijst naar de schepping van de hemel en de aarde. Die zijn door de Here God gegrondvest en gemaakt.

Als je bijvoorbeeld kijkt naar de immense sterrenhemel. Je beseft: vele, vele lichtjaren staan die sterren van me af. Zo ver. Zo oud. Wie ben ik dan, klein, nietig mensje? En toch, zegt de Psalmist, in navolging van het Bijbelse scheppingsgeloof: heel die schepping - inclusief die sterren - was er ook eens niet en zal er ook eens niet meer zijn. Ook dit alles is tijdelijk. Maar God blijft dezelfde. Hij kent begin noch einde. Hij is eeuwig.
Zo roept die dichter zichzelf opnieuw tot de orde. En dat moeten wij ook maar doen, als we bestormd worden door al die vragen en twijfels, als die aanvechtingen komen, als het water ons tot de lippen stijgt, als we opzien tegen het nieuwe jaar: God is eeuwig. Hij omspant de tijd – denk nog maar even aan die cirkel -. Hij heeft dus de tijd. Hij heeft niet alleen de tijd; Hij bepaalt ook de tijd. In de grote verbanden én in mijn eigen kleine leven.

Die verzen 26 tot en met 28 van de Psalm worden in Hebreeën 1 toegepast op de Here Jezus Christus. U moet dat thuis nog maar eens nalezen. Hij is immers de eeuwige Zoon van God en Hij is tegelijk ook die man die ook geroepen heeft, ook zulke Psalmen op Zijn lippen nam, sterker nog: zijn hele weg terugvond in zulke lijdenspsalmen. Ook toen Hij aan het kruis hing, tussen hemel en aarde. Toen riep Hij, bad Hij zo’n klaagpsalm: ‘Mijn God, mijn God, waarom heeft U me verlaten?’ Hij bad om hulp. Nee, Hij werd niet gelijk verhoord. Hij stierf. Pas na Zijn dood, na drie dagen in het graf, kwam de verhoring, maar wát voor één: God wekte Hem op uit de dood.
En deze man, die Zoon van God, is niet veranderd. Hij is gisteren en heden dezelfde, en tot in alle eeuwigheid, zegt diezelfde Hebreeënbrief. Dus Hij is ons in onze klachten, onze ellende zo dichtbij. En doordat Hij voor ons die weg gegaan is, dwars door de dood heen, ontvangen we in Hem datzelfde eeuwig leven. Nee, dat hebben we niet vanzelf. Wij zijn niet eeuwig. Ook onze ziel niet. Wij zijn sterfelijk, tijdelijk. Maar in verbondenheid met Jezus Christus krijgen we eeuwig leven. Door Jezus Christus is ons kleine, tijdelijke leven eeuwig leven geworden, waarvan het allermooiste nog komt. Daarom: lof zij U Christus!
En omdat Hij dat perspectief voor ons opent, willen we nu in navolging van de psalmist de lofprijzing voortzetten. Laat ons bidden:

Dagen en jaren vliegen voorbij
maar Gij zijt, o God
altijd
dezelfde
teder en trouw
in liefde
herder
verregaand goed
vergevend vergetend
wat wij aan onrecht doen.

Dagen en jaren vliegen voorbij
maar Gij zijt
machtig grootmoedig
royaal
als een koning
sterk als een rots
standvastig onwrikbaar
eeuwen verdurend
de stroom van de tijd.

Dagen en jaren vliegen voorbij
maar Gij blijft
helpend en helend
hemelse vader
troostende moeder
horend wie huilt
in het holst van de nacht
zachtaardig verdragend
ons eeuwig tekort. 

Dagen en jaren vliegen voorbij
maar altijd
dezelfde
zijt Gij
mijn God.

Om Christus’ wil. Amen 

zingen (als gezongen geloofsbelijdenis)       Hemelhoog 479 ‘Heer, U bent mijn leven’

dankgebed en voorbeden 

collectemoment 

slotlied          Lied 512:1,3,6,7 ‘O Jezus, hoe vertrouwd en goed’

zegen