stil gebed (staande)
votum en groet
openingsverzen
zingen Psalm 31:1,2
gebed
schriftlezing Matteüs 26:46-50
overweging Thema: Onder vier ogen: Judas
Er is een schilderij van het laatste avondmaal. Boven Jezus en de discipelen is een aureool te zien: teken van heiligheid. Behalve bij één. Bij - je raadt het al - Judas. Hij staat er niet best op.
Wat wil je? Judas is toch degene die Jezus verraden heeft, voor een paar rotcenten uitgeleverd heeft, met een schijnheilige kus bezegeld nota bene!
In Dantes beroemde dichtwerk De Goddelijke Komedie is Judas op de allerlaagste plaats van de hel opgeborgen, het verst verwijderd van de hemel, vanwege het verraad van de Zoon van God.
Zo komt Judas heel ver bij ons vandaan te staan: in de diepste put van de hel. Maar staat hij echt zo ver bij van ons vandaan?
Het Evangelie noemt Judas consequent ‘één van de twaalf’. Eén van de twaalf discipelen van Jezus dus. Ook Judas is door Jezus geroepen. Ook hij had alles opgegeven om Jezus te volgen. Juist zo'n discipel, uit de binnenste cirkel om Jezus, verraadt zijn Heer, levert Hem uit!
Dat is ook het verschrikkelijke. Iemand zei: ‘De zonde van het verraad is de zonde van binnenuit, van de ingewijde. Verraad, dat is de zonde van degene, die er deel aan heeft.’
Vandaar dat het ook inslaat als een bom, als Jezus aan de maaltijd zegt dat ‘één van jullie Mij verraden zal.’ Het maakt de discipelen heel bedroefd. En één voor één vragen ze Jezus, onder vier ogen dus: ‘Ik toch niet, Heer?’
Ze wijzen dus niet beschuldigend naar elkaar: ‘O, dan zal hij wel de verrader zijn!’ Nee, ze wijzen naar zichzelf: ‘Ik toch niet?’
Zo komt het heel dichtbij, toch? Zou ik het kunnen zijn? Een verrader, die Jezus loslaat, Hem uitlevert voor iets anders? Zou ik zo zijn? Ik, die toch ook hoor bij die kring van Jezus.
Ja, laat ik het maar bij mezelf houden. Ik hoef niet naar een ander te wijzen. Want als ik mezelf ken, mijn eigen hart en wat daaruit naar boven kan komen, dan weet ik dat ik tot alles in staat ben. Ook tot zoiets verschrikkelijks als verraad. Ik ben niet beter dan Judas. Ook ik kan een Judas worden, of bén ik het misschien al ergens in mijn leven? Heb ik Jezus al ergens verraden, of ben ik bezig Hem uit te leveren voor iets anders?
Zo komt Judas eigenlijk veel dichter bij ons te staan, in plaats van dat we hem ergens opbergen in de diepste hel, het verst verwijderd van de hemel, en van ons.
Maar nog wezenlijker: Jezus staat niet ver van Judas af. Dat laat ons tekstgedeelte zo ontroerend zien. Als Judas met een bewapende bende de hof van Gethsemané intrekt en Jezus met een kus begroet, - hoe huichelachtig, hoe pijnlijk voor Jezus; dat een kus, teken van vriendschap en liefde, het verraad bezegelt - dan zegt Jezus: ‘Vriend, ben je daarvoor gekomen?’
Jezus noemt Judas vriend! In dat woord ligt toch al Zijn liefde opgesloten. Ook al laat Judas Jezus vallen, Jezus wil hem niet loslaten, blijft van hem houden! Zoals Hij van ieder mens houdt, die om welke reden dan ook Hem losgelaten heeft voor iets anders. Jezus blijft van zo iemand houden. Ook van jou als je denkt het helemaal verknald te hebben. Ook van jou als je denkt: Hij ziet me weer aankomen. Het is nu al de tigste keer dat ik Hem op zijn hart getrapt heb. Hij blijft van je houden: ‘Vriend, vriendin.’
Tegelijk gaat Jezus verder: ‘Vriend, ben je daarvoor gekomen?’ Die vraag is eigenlijk een constatering dat Jezus wel weet waarom Judas nu hier is. Waarom verraad je mij met een kus? Het is ook een uitnodiging aan Judas om ermee voor de dag te komen. Om z'n schuld te belijden. Om berouw te tonen. En vergeving te vragen aan de Enige die hem vergeven kan. Jezus biedt zo de mogelijkheid tot ommekeer aan. Maar Judas doet een stap terug en de soldaten grijpen Jezus en nemen hem gevangen.
Ik moest ook denken aan de roman Stilte van de Japanse schrijver Shusaku Endo. Daarin gaat het over een priester, die met een groot roepingsbesef naar Japan is gegaan om de christenen te bemoedigen, om het Evangelie verder te verspreiden, ondanks alle tegenstand. Maar christenen zijn er bijna niet meer te vinden, want ze worden vreselijk vervolgd. Wie als christen in handen van de shoguns valt, wacht afschuwelijke martelingen. Er is één uitweg: als je je geloof afzweert. Je moet dan op een plank met een koperen afbeelding van Jezus gaan staan en zo letterlijk Jezus vertrappen. Talloze christenen doen het.
Ook de priester valt in handen van de autoriteiten, door verraad nota bene. Aanvankelijk weigert hij zijn geloof af te zweren. Maar uiteindelijk kan hij het niet meer aan. Dan schrijft Endo: ‘De plank bevond zich nu aan zijn voeten. Met daarop het portret van Jezus. Het was een lelijk portret van Christus, met de doornenkroon, de dunne armen gespreid... De priester tilde de plank op en bracht hem dicht bij zijn gezicht. Hij wilde zijn gezicht tegen dat - door vele voeten vertrapte - gezicht drukken. De Man op de plank, versleten en uitgehold, doordat zo velen op hem getrapt hadden, staarde de priester met droeve blik aan. Het was net alsof er echt een traan uit zijn ogen rolde.
‘O wat doet dat zeer!’ De priester beefde. ‘Het is louter voor de vorm. Dat maakt toch niets uit?’ drong de Japanse beambte aan.
De priester hief zijn voet op. Hij voelde een doffe, zware pijn in die voet. Het was niet louter een formaliteit. Hij zou nu trappen op wat hij als het mooiste in zijn leven had beschouwd, het allerheiligste waar hij in had geloofd. De pijn die hij in zijn voet voelde! Op dat ogenblik sprak de Man op de koperen plaat tot de priester: ‘Trap maar. Trap maar. Ik ben in deze wereld geboren om door jullie vertrapt te worden. Om in jullie pijn te delen heb ik het kruis op mijn rug gedragen.’ De ochtend brak aan toen de priester zijn voet op de plank zette. In de verte kraaide een haan.
Ja, door dat laatste zinnetje ben je ook weer in het Evangelie. Bij de verloochening van Petrus. Maar is dat minder erg dan het verraad van Judas? Dan de vlucht van alle discipelen? Uiteindelijk vertrappen zij allemaal hun Heer. En wie zichzelf kent, weet dat hij, dat zij, daartoe ook in staat is. Petrus, Judas, de andere discipelen, ze staan niet ver van ons af.
Als we maar nooit vergeten dat we niet te ver van Christus zelf afstaan, die ons onder ogen komt, onder vier ogen, en zegt: ‘Vriend, vriendin.’ Zijn vriendschap, zijn liefde, is sterker dan ons verraad. Lof zij U, Christus. Amen
meditatief moment
VOORBEREIDING
Hun harten voelden zij als boeken
in Gods geduchte hand gelegd,
en wisten, dat Hij al hun slecht
gedrag gerecht zou onderzoeken.
Zij lazen bang en hunkrend mee,
en zagen wat zijn vingers wezen.
Was er niets goeds? Hun schaamte en vrezen
groeiden tot een verschroeiend wee.
God had de boeken dicht gedaan,
en zou het grote vonnis spreken.
Toen dorst hun stem de stilte breken:
O Here Jezus, neem ons aan!
En 't bonzend hart, dat ze in zich vonden,
was vlekkeloos en zonder zonden.
Willem de Mérode
zingen Lied 561:1,4,5 ‘O liefde die verborgen zijt’
gebed avondgebed van Jaap Zijlstra
slotlied Hemelhoog 162 ‘Agnus Deï – Lam van God’
zegen