welkom en mededelingen

zingen           Psalm 107:1 ‘Gods goedheid houdt ons staande’

stil gebed 

votum en groet

openingstekst          ‘Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht:                  wie dorst had, gaf Hij te drinken, wie honger had, volop te eten.’ (Psalm 107:8,9)

zingen          Psalm 107:3,4 

voortzetting heilig avondmaal

aan tafel werd gelezen Romeinen 8:35-39 en gezongen Lied 713:1 ‘Wij moeten Gode zingen’

danken en gebed om de verlichting met de Heilige Geest 

schriftlezing 1        Job 1:6-22

zingen           Lied 807:1,4 ‘Een mens te zijn op aarde’

schriftlezing 1        Job 2:1-13

zingen           Lied 807:5,6 ‘Een mens te zijn op aarde’

verkondiging

Gemeente van Jezus Christus, 

Een hemel van gebroken spiegelglas.
Soms was een mens maar beter niet geboren
en wat hij dacht te hebben, gaat verloren.
Wat rest is mest en vuilnis, stof en as.

Een sterveling, een speelbal van de machten?
De weg die zijn verstand te boven gaat,
loopt dood. En van de welgemeende raad
van vrienden heeft hij weinig te verwachten.

Alsof hij door zijn heelheid was verblind
en pas wanneer hij breekt, zijn spiegel vindt?

Aldus Rikkert Zuiderveld in zijn gedicht Job.
‘Een hemel van gebroken spiegelglas  (…) en pas wanneer hij breekt…’
Ja, als nu één bijbelboek de gebrokenheid in alle eerlijkheid en rauwheid tekent, dan is dat Job wel. Niets is meer heel aan hem. Z’n lijf is kapot, kapotgekrabt vanwege de afschuwelijke zweren, z’n hele bestaan is gebroken.

In de Bijbelse beeldentuin in Hoofddorp vind je een beeld van Job. Gemaakt door Karel Gomes. Ik had het ook in de app gezet. Job zit op z’n knieën. Z’n handen machteloos terneer. Z’n ogen gesloten. Z’n kleding gescheurd. Z’n botten één voor één te tellen. Zo mager. Zo verschrikkelijk. Zo gebroken. 

Ja, wat doe je, als iemand anders of jijzelf door leed getroffen wordt? Hoe reageer je daarop? Naar die ander? Naar God? 
In Job 1 en 2 vernemen we drie reacties. We gaan ze na, in omgekeerde volgorde: eerst die laatste, die van de vrienden van Job, dan die van zijn vrouw en tot slot die van Job zelf.

Maar eerst de aanleiding tot dit alles. Daarvoor neemt de schrijver ons mee naar de hemelse troonzaal. Boven het hoofd van Job vindt daar een geding plaats. 
Job zelf weet daar niet van. Dat is geen onbelangrijk gegeven trouwens.
Ook Satan komt die hemelse troonzaal binnengebanjerd. Blijkbaar kan hij dat. Satan is Gods tegenstander, de tegenstrever. Letterlijk betekent Satan vanuit het Hebreeuws ‘aanklager’. Dat doet hij dan ook als God hoog opgeeft van zijn dienaar Job. God gebruikt daarbij precies dezelfde woorden als uit het begin, het gedeelte waar we vanmorgen bij stilstonden. Ook in Gods ogen – en dat is het belangrijkste – is Job rechtschapen en onberispelijk, heeft hij ontzag voor God en mijdt hij het kwaad. Sterker nog, Gods oordeel is helder: ‘Zoals Job is er niemand op aarde.’ Hoe positief wil je het hebben!

Maar dan komt Satan met z’n aanklacht: ‘Ja, hè hè. Dat is niet zo moeilijk. Job is zo, omdat U hem beschermt, omdat U hem zegent. Maar als dat allemaal wegvalt, wat blijft er dan van over? Dan zal hij U vervloeken, vaarwel zeggen!’

Ja, gemeente, Satan raakt hier aan de zogenaamde vergeldingsleer. De Romeinen noemden dat ‘Do ut des’, oftewel ‘Geef (aan de godheid) en dan zal hij jou geven, jou belonen.’ Geloven dus ten diepste uit eigen belang..
Ach, denk je misschien, dat is toch heidendom. Daar doe ik niet aan mee. Maar laten we eerlijk zijn. En dat is precies ook wat het bijbelboek Job wil: ons eerlijk maken, ons in de spiegel laten kijken. Hoe is dat bij mij? Waarom geloof ik? Waarom dien ik God? Om er zelf beter van te worden? Dus ten diepste uit eigen belang?
Deze gedachtegang, dit mechanisme, kan ook het christelijk geloof binnensijpelen. In de vorm van het welvaartsevangelie: ‘Als jij maar genoeg aan God geeft, aan de kerk, dan zal Hij je zegenen, dan zal Hij je belonen. En als je dat niet doet, tja: dan krijg je met de andere kant te maken.’
Laat het maar gelijk duidelijk zijn, gemeente. Het boek Job ontmaskert dit als een leugen, als een vertekening van het geloof, een duivelse verdraaiing dus… 

Daarom kan God die aanklacht van Satan ook niet over z’n kant laten gaan. Het gaat om z’n eigen integriteit, en die van Job. Het zal duidelijk moeten zijn dat Job God liefheeft en dient om wie Hij is, dus zonder reden, onvoorwaardelijk. Net zoals God onvoorwaardelijk van Job houdt en hem trouw blijft. Om dat duidelijk te laten worden, krijgt Satan vrij spel: hij mag Job alles ontnemen, maar Job zelf niets doen. 
Het verschrikkelijke gebeurt. In rap tempo verliest Job al z’n bedrijven en uiteindelijk ook al z’n kinderen. De ene ramp na de andere. Job raakt bankroet en kinderloos. Het is niet voor te stellen, maar het gebeurt.
En toch zegt Job God niet vaarwel. Ondanks dit verschrikkelijke leed (waarvan Job dus niet weet dat het om een geding tussen God en Satan gaat), ondanks dat blijft Job trouw aan z’n God.

Er komt een tweede geding in dezelfde hemelse troonzaal. Satan zegt: Ja, Job reageert nog zo positief, omdat hij z’n eigen leven nog heeft, z’n gezondheid, z’n kracht. Dat is hem blijkbaar alles waard. Maar als dat alles wordt aangetast, dan zal hij U ongetwijfeld vervloeken.’
En weer geeft God toestemming, onder het voorbehoud dat Jobs leven blijft gespaard. Dat is dan ook het enige, want hierna is Job alles kwijt, zit hij onder het stof en het vuil, z’n lijf vol stinkende zweren. In één woord: afschuwelijk. Hoe moet je reageren op zulk leed?

We richten ons dus als eerste op Jobs vrienden. Als ze horen van de Jobstijding besluiten ze gedrieën hem op te zoeken. Daar is al moed voor nodig, toch? Want Mensen die leed ondervonden hebben - een ernstige ziekte, een overlijden van een dierbare, een faillissement, enz., enz. – zulke mensen worden gemeden. Omdat we dat te confronterend vinden. Het herinnert ons aan onze eigen kwetsbaarheid. Dat we zelf ziek kunnen worden, zullen sterven, onnoemelijk verdriet kunnen meemaken. En dat verstoort ons comfortabele leventje. Daar kunnen we moeilijk mee omgaan. Dus blijven we liever weg.
Maar Jobs vrienden niet. Ze komen. Ze herkennen Job niet eens. Zo is hij veranderd door alle rampen, door z’n ziekte. Maar ze rennen niet weg, nee: ze scheuren hun kleren en gooien stof over hun hoofd. Net als Job zelf had gedaan. Het rouwritueel van toen. Ze worden solidair met hem. Ja, gemeente, onderschat niet de betekenis van rituelen, juist in zulke dramatische en traumatische situaties. Rituelen kunnen helpen om het onzegbare vorm te geven en troost te bieden.
Maar het mooiste is dat die vrienden naast Job gaan. Ze zijn letterlijk en figuurlijk naasten voor
hem. En ze zwijgen. Zeven dagen lang. En dat is hun beste troost nu. Ze houden hun woorden en gedachten bij zich, hun verklaringen en oplossingen. Want die zouden zo de plank misslaan. Daar zouden ze Job niet mee helpen. Hiermee wel: door er voor hem te zijn, stil en nabij.
Dat is niet makkelijk, gemeente. Als we dan naar mensen toegaan in hun leed, vinden we stil zijn heel moeilijk en ongemakkelijk, toch? We zijn zo geneigd om die ongemakkelijke stilte te verbreken en al snel met woorden te komen, met goedbedoelde troost, met vrome stoplappen, met ‘wijze’ adviezen. Maar de vrienden van Job laten zien (hier nog wel trouwens, na die zeven dagen wordt het helaas anders, hadden ze dit maar langer volgehouden!), maar goed: ze laten hier zien dat het een kunst is, om het lijden van die ander aan te voelen en het daarbij uit te houden. Het vraagt moed en liefde, tijd en geduld, om je mond te houden, om te luisteren naar wat die ander vertelt. Al is dat ook ongemakkelijk en pijnlijk. Zo doe je recht aan het leed van die ander, aan die ander zelf. Zo luister je diens vragen tevoorschijn. En die komen dan ook, ook bij Job. In het vervolg van het boek wordt dat wel duidelijk. Want dat duurt nog 41 hoofdstukken…

Dan de vrouw van Job. In de meeste commentaren en preken wordt haar reactie scherp veroordeeld. Die is ook pijnlijk. Maar laten we niet vergeten dat zij ook tien kinderen heeft verloren. Dat ook haar bestaan is verwoest. Zij is niet ziek, maar verder deelt ze in hetzelfde leed als Job. Dus onder haar reactie zit zoveel verdriet en pijn. Dan past een snel en makkelijk oordeel niet, maar misschien eerst maar de hand op je mond, een luisterhouding, naast in plaats van tegen iemand zijn…
Toch helpt haar reactie haar man niet. Daarin is Job helder. Haar reactie tegen hem is: ‘Vervloek God en sterf!’ Met andere woorden: ‘Geef God én je leven op. Wat heeft het nog voor zin!’
Vervloek God… Het is wel precies wat Satan bedoelde, toen hij zijn pijlen op Job richtte: als die alles kwijtraakt, - z’n zegeningen, z’n kinderen, z’n gezondheid -dan zal hij God vervloeken. En dát raadt z’n vrouw hem aan!
Er is een spreekwoord: ‘Nood leert bidden…’ En dat kan gebeuren, dat mensen in hun nood God gaan zoeken, Hem nodig hebben, hun schietgebed richting hemel zenden. Maar nood kan dus ook leren vloeken, gemeente. Het is een verschrikkelijke mogelijkheid. Niet alleen bij Jobs vrouw, maar ook bij anderen.  Misschien ken je zo iemand wel. Laten we ook hen eerst uit laten spreken. Niet om hen gelijk te geven, maar wel om ze hun hart te laten luchten, de vragen tevoorschijn te luisteren… Wie weet kunnen we dan ook iets over God vertellen. Bescheiden. Voorzichting. Liefdevol.

De derde reactie is van de hoofdpersoon zelf: Job. Als hem al die rampspoeden worden meegedeeld: de brute overvallen, de natuurrampen, waardoor hij niet alleen z’n bedrijven, z’n personeel, maar ook z’n hele gezin verliest, dan zegt Job: ‘Naakt ben ik uit de moederschoot gekomen, naakt zal ik tot de aarde terugkeren. De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen.’
Is Job hier een soort boeddhist die in een soort Zen-bewustzijn alles aanvaardt, een stoïcijn die er maar in berust? Je kunt er immers toch niks aan doen, ‘kome wat komt…’ Legt Job zich zo bij deze verschrikkelijke feiten neer?
Nou, dat zeker niet. Dat blijkt ook wel uit de rest van het bijbelboek… We zullen daar volgende week, bij leven en welzijn, meer over horen. Daar treffen we een allesbehalve berustende Job. Maar ook hier in zijn eerste reactie is het geen berusting. Niet voor niets begint het in vers 20 met ‘Toen stond Job op…’ Als je dat in de Bijbel leest, moet je extra opmerkzaam zijn. ‘Job staat op.’ Zo zijn we ook door God geschapen. Als mensen die rechtop mogen staan. Geen voetveeg van boven, geen onderkruipsel. Nee, zoals Van Ruler het zo treffend kon zeggen: ‘Als mensen die ons mannetje mogen staan, ook tegenover God.’ En ‘mannetje’ bedoelde hij inclusief, dus daar vallen de vrouwen ook onder, voor alle helderheid.
De Here God zet ons op beide voeten. En ook Job, in al z’n leed, staat op.
Hij scheurt z’n kleren, scheert z’n hoofd kaal en werpt zich dan ter aarde. Allemaal uitingen die toen bij het rouwritueel hoorden. En vervolgens komt er een belijdenis uit, die eindigt met een lofprijzing: ‘De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen.’

Indrukwekkend, nietwaar? Maar klopt het eigenlijk wel wat Job belijdt? Is de HEER de oorzaak van zijn leed? Kun je met zo’n God leven? 
Dirk de Bree schreef een mooi boek over Job: ‘De kwestie Job’, een echte aanrader. Hij schrijft daarin: ‘Feitelijk is het niet waar wat Job zegt. Dat kan hij niet weten, maar wij wel. Het is namelijk niet God die hem al zijn bezit en kinderen afneemt. Dat doet de satan. Maar Job weet dat niet. Mooi gezegd, die belijdenis van hem, maar het klopt niet. En sluipt de leugen naar binnen en kan het verdriet wat Job treft, langzaam maar zeker toch een verwijt worden naar God.
Je kunt te snel zijn met je geloofsuitspraken, te snel met je aanbiddingslied van overgave aan God. Het zal dus ook niet lang duren voor Jobs toon anders wordt. Eerlijk gezegd ben ik daar wel blij mee.’
Tot zover Dirk de Bree. Dat laatste deel ik helemaal: dat je te snel kunt zijn met je overgave en dat er ook ruimte mag zijn voor de vragen, de klachten, de worstelingen. Die andere toon mag zeker ook klinken. Dat merk je trouwens al bij Jobs tweede reactie, als z’n vrouw hem heeft aangeraden God vaarwel te zeggen. Dan komt er geen lofprijzing meer uit Jobs mond. Dan zegt hij alleen: ‘Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’ Ook dan houdt hij vast aan God, maar er klinkt geen hooggestemde lofprijzing meer. Die toon vindt hij dan niet meer.
Maar of Job nou echt belijdt dat God hem dit allemaal aandoet, zoals De Bree schrijft, is nog maar de vraag. Kijk, letterlijk zegt Job aan het eind van zijn belijdenis: ‘De naam van de HEER zij gezegend.’ En zegenen is een relationeel woord in de Bijbel. Als je iemand zegent, dan bevestig je de relatie waarin je met iemand staat door goed over diegene te spreken. Zo zegent allereerst de Here God ons. Hij spreekt goede woorden tot en over ons. En zo mogen wij God zegenen. En dat doet Job hier. In al dat raadselachtige leed dat hem treft. 
Zoals ik ergens las: ‘Wat Job hier doet is niets meer of minder dan het bevestigen van de relatie die hij met zijn HEER heeft. Hij zegt tegen Hem: ik wil niet dat dit buiten Uw blikveld valt, want dan bent U mijn God niet meer.’
Let ook op hoe God hier genoemd wordt: bij zijn roepnaam ‘HEER’, met allemaal hoofdletters. In het Hebreeuws: JWHW, die geweldige naam die Gods wezen uitdrukt: Ik zal er zijn, Ik ben erbij.
‘Nou, HEER, laat dat dan ook merken, nu ik in mijn nakie sta. Dat U erbij bent, dat U de God bent die afdaalt naar hen die in de benauwdheid zitten en eenzaam door het stof gaan, om hen te bevrijden. Dus HEER, U kunt me wat, maar ik ga U niet loslaten, want U bent het enige dat ik nog heb.’

En zo, in al z’n gebrokenheid, roept Job tot z’n Heer, blijft hij Hem vasthouden.
Dat doet me denken aan die laatste regel uit het gedicht van Rikkert waar ik de preek mee begon: ‘Pas wanneer hij breekt, z’n spiegel vindt.’
Die naam HEER, Gods diepste wezen, is het meest uitgedrukt in zijn eigen Zoon, Jezus Christus. Hij weet als geen ander wat gebrokenheid is. Sterker nog: Hij werd zelf gebroken, kapotgemaakt, daalde af tot in onze diepste nood en droeg alles. Het gebroken brood van het avondmaal schilderde het ons voor ogen, bracht het ons te binnen. Een spiegel, waarin we Hem mochten zien, een teken, waarin we zijn bevrijding mochten proeven, Hem mochten ontmoeten. Hij gebroken, om ons te helen. En daarom eindigen ook wij met een lofprijzing: Lof zij U, Christus! Amen

zingen  (als gezongen geloofsbelijdenis)      Hemelhoog 479 ‘Heer, U bent mijn leven’ 

gebed                         

collectemoment

slotlied         Psalm 107:20 ‘Wie wijs is, zal de Here’ 

zegen