welkom en mededelingen 

lied     Lied 657:1,2 ‘Zolang wij ademhalen’ 

stil gebed 

votum en groet

aanvangstekst        ‘Loof de HEER, volken op aarde, prijs Hem, naties overal: zijn liefde voor ons is overstelpend, eeuwig duurt de trouw van de HEER. Halleluja!’ (Psalm 117) 

zingen (met combo)         Lied 117d ‘Laudate omnes gentes’ 

lezing van gebod               Uit Kolossenzen 3 (12-17) 

gebed om de verlichting met de Heilige Geest 

kinderen naar kindernevendienst

schriftlezing            Job 3:1-10; 20-26 en 7:17-21

zingen             Psalm 42:5,6 'Laat zijn trouw de dag verblijden'

verkondiging      Thema: Klagen en vragen

Gemeente van Jezus Christus,

In Yad Vashem, het holocaustmuseum in Jeruzalem, zag ik ooit dit beeld:

Job Yad Vashem
Het staat ergens in een hoekje, maar het raakte me diep. Het stelt Job voor.
Hier zie je een close-up:

Job Yad Vashem 2

Job heeft de armen gekruist. Z’n handen zijn gebald tot vuisten: uiting van intens verdriet, diepe pijn en grote woede. Z’n hoofd is omhooggericht, naar de hemel. Z’n ogen zijn gesloten. Z’n mond is open. Het is duidelijk: Job bidt, maar niet zachtjes. Nee, hij roept, hij schreeuwt het uit. 

En zo begint ons tekstgedeelte: ‘Daarna opende Job zijn mond…’
‘Daarna… Na de zeven dagen dus die hij gezwegen heeft, samen met z’n drie vrienden, die hem opgezocht hadden. Ook zij hadden gezwegen: de beste troost bij zulk onnoemelijk leed. Dan moet je niet aankomen met goedbedoelde adviezen, vrome stoplappen en goedkope oplossingen. Nee, ze hadden gezwegen. Net als Job zelf. Hij was murw gebeukt door al die slagen.

Maar nu doet Job zijn mond open. En hoe! Hij vervloekt z’n geboortedag: ‘Laat de dag dat ik geboren ben vergaan, en ook die nacht die zei: “Een jongen is verwekt”.’ Job vraagt of die dagen - zijn geboorte- en verwekkingsdag - gehuld mogen worden in duisternis, zodat ze niet meer gezien worden, zodat ze er niet meer zijn. Het is het omgekeerde van de schepping toen God als eerste het licht schiep. Job wil dat voor zichzelf weer terugdraaien.
God opende de schoot van z’n moeder, bij de bevruchting, en bij zijn geboorte. ‘Was het maar nooit gebeurd!’ Aldus Job. 

Iemand noemde dit misschien wel de heftigste en meest onthutsende bladzijde uit de Bijbel. En ik snap hem. Zo heftig, zo shocking. En je vraagt je af: is dit dezelfde Job als die uit hoofdstuk 1, die, toen al die rampspoeden hem bereikt hadden, beleden had: ‘De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen’? Job, waarvan dan gezegd wordt dat hij God geen enkel verwijt maakte. Nou, hier genoeg verwijten aan God. Aan het slot van die bladzijde van hoofdstuk 3 zegt hij dat God zijn weg verspert en dat hij daardoor geen ander voedsel meer heeft dan verdriet, dat zijn klachten stromen in een vloed van tranen.’ Dit is toch een hele ándere Job?! Heeft Satan nu toch z’n zin gekregen, toen hij zei dat Job God zou vervloeken als hem alles zou worden ontnomen?!

Nee, want Job mag dan z’n geboortedag vervloeken, God vervloekt hij niet. God zegt hij niet vaarwel. Nee, - en daarom is dat beeld ook zo treffend, met het omhooggerichte hoofd van Job – Job klampt zich juist aan God vast, slingert z’n klachten naar Hem toe. 
Maar daarbij houdt hij zich dus niet in. Het is allesbehalve weloverwogen. Nee, het is emotioneel, rauw en vooral heel eerlijk.
Willem Barnard noemt het een ontboezeming. Hij vergelijkt dat met een boezem in het polderlandschap: een sloot of singel om het overtollige water te kunnen afvoeren. Zo moet je als mens ook je klachten kwijtkunnen bij God. Als je dat niet doet, dan zit je dicht, dan verdrink je inwendig.

Er is een bekend gezegde: ‘Niet klagen, maar dragen en bidden om kracht.’ Misschien heb je het ook wel eens gezegd tegen iemand, of tegen jezelf. Je dacht daarmee die ander of jezelf te helpen. Maar weet je, dit gezegde mag dan op menig tegeltje staan en vaak gebruikt worden: het staat niet in de Bijbel. Het is een vrome stoplap, een soort doek waarmee we spreekwoordelijk iemands mond willen snoeren als-ie begint te klagen. Met als gevolg dat iemand juist kan stikken,  stikken in z’n eigen verdriet, boosheid en radeloosheid.

Goddank wijst de Bijbel, wijst Job, ons een andere weg. Die van de ontboezeming, die van geen blad voor de mond nemen en je klachten uiten. Ook Job 3, die misschien wel heftigste en meest onthutsende bladzijde uit de Bijbel, is er niet uitgescheurd. Jobs klachten zijn niet gedeleet. Net als Psalm 42, en vele andere klaagpsalmen niet. En de klachten van Elia en Jeremia niet. Ze zijn blijven staan. Ook voor een ieder die zich erin herkent. Met de disclaimer: klagen mag. Klagen is geen teken van ongeloof, maar juist van geloof, van je vastklampen aan God. Wie vindt dat klagen geen zin heeft, doet net alsof God er niet is. Maar Job, juist met z’n heftige klachten, met z’n getier, waarin hij niets achterhoudt, gelooft dat God er is, en roept om Hem.

Ik hoop dat ook wij zo eerlijk met de Here God kunnen en durven omgaan. En dat we die ruimte elkaar ook gunnen. Dat we iemand de mond niet snoeren die klaagt naar God toe, die boos is op God, die diep teleurgesteld is in Hem. Dat we niet aankomen met een soort vrome berusting, die helemaal niet bijbels is. Maar dat er ruimte is voor emoties, klachten en vragen. Net als in Job…

Ja, want vragen stelt Job. Vele vragen. Z’n naam is eigenlijk zelf al een vraag. Job betekent namelijk ‘Waar is de vader?’ Het is ook de centrale vraag van het boek Job: Waar is God in alles wat Job overkomt?’ Een herkenbare vraag voor veel mensen, en misschien ook wel voor u en jou: Waar is God in al dat verschrikkelijke leed? Waar is God in die verschrikkelijke natuurrampen, die de aarde teisteren? Waar is God in de kanker die iemands lichaam sloopt? Waar is God bij dat kindje dat levenloos geboren wordt? Of in die onvervulde kinderwens die ouders zo verdrietig en eenzaam maakt. Enz. enz. 

Jobs naam is niet alleen een vraag. Hij stelt ze ook. Ook in de gedeelten die we vanmorgen gelezen hebben: ‘Waarom geeft God licht aan hem, voor wie de weg verborgen blijft, wie Hij de weg verspert?’ En: ‘Waarom acht U de mens zo hoog? Waarom krijgt hij al die aandacht van U?’ En dit is geen positieve aandacht, nee: Job voelt zich juist door God belemmerd en geslagen. Waarom toch, o God, waarom?

Job stelt vragen. Indringende vragen. Dirk de Bree schrijft: ‘Jobs vragen zijn niet afstandelijk. Hij stelt ze niet onverschillig. Nee, het gaat Job ergens om. Die vragen van Job ben ik steeds meer gaan lezen als een uiting van zijn geloof. Hoe meer ik met Job bezig ben, hoe meer ik ontdek dat zijn vragen eigenlijk geloviger zijn dan zijn geloofsuitspraken. Het lijkt erop dat al Jobs vragen getuigen van een dieper geloof dan zijn ‘prijs de HEER’ aan het begin. Vragen stellen helpt hem om zich vast te klampen aan God. Vragen stellen én je overgeven in geloofsvertrouwen – dat vormt geen tegenstelling, het hoort juist bij elkaar. Vragen zijn een uiting van geloof, en daarmee een teken van leven.’
Tot zover Dirk de Bree. Ik vind het bemoedigend voor iedereen die ook de nodige vragen kent, naar God toe, naar het geloof.
Tegelijk valt het niet mee om vragen echt toe te laten. Je hebt de neiging om moeilijke vragen maar niet te stellen. Die schuiven we dan maar snel aan de kant: ‘Zulke vragen moet je niet stellen.’ Of we komen te snel met een antwoord of met een te makkelijk antwoord en doen daarmee de vraag geen recht.

Eén van de redenen van kerkverlating kan zijn dat mensen in de kerk geen ruimte ervaren om vragen te stellen. Om door te kunnen vragen. Jammer is dat. Ik hoop juist dat dit bij ons wel kan. Ik denk nog met veel vreugde terug aan het afgelopen seizoen belijdeniscatechisatie waarin heel veel vragen werden gesteld door de deelnemers. Ook moeilijke vragen. Ongemakkelijke vragen. Juist door te vragen, door dóór te vragen, kun je bij Jezus Christus uitkomen. Dat gold in ieder geval voor die belijdeniscatechisanten… .

Dat wil ik ook zeggen tegen de tieners die straks afscheid nemen van de kindernevendienst en die we hartelijk welkom heten op de catechisatie. Juist daar kun je al je vragen kwijt. Geen vraag is verkeerd. Door te vragen leer je. Door níet te vragen blijf je steken bij het bekende, bij het vertrouwde. Maar er valt nog veel meer te ontdekken. Vraag maar…
En dat wat je niet begrijpt, waar je het, net als Job, moeilijk mee hebt, waar je tegenaan loopt, ook dat mag je vragen. Juist door te vragen kan er ruimte komen voor God, voor zijn antwoord, misschien niet gelijk, misschien duurt het een hele tijd, en misschien is het ook nog een heel ander antwoord dan je zou verwachten, maar het komt.

Kijk, bij Job duurt het tot hoofdstuk 38 voordat God daadwerkelijk antwoordt. En dan ook nog eens heel anders dan Job had verwacht. Daarover later meer. Daarvoor krijgt Job alle ruimte om z’n vragen te stellen, indringende vragen. Aan z’n vrienden. Aan God. Waarbij God voor z’n gevoel ver weg is, zich van hem heeft afgekeerd.
Ja, dat kun je zo ervaren. Zo kun je je voelen. Ik wel tenminste. Zoals die keer toen Renate uit mijn eerste gemeente overleed, na een heftige epileptische aanval en dagenlang op de IC in het ziekenhuis in Alkmaar, tussen hoop en vrees. Ze was 15 jaar. Wat is er voor haar gebeden! Wat hebben we rond haar ziekenhuisbed gezongen, met haar ouders, met haar zussen: liederen van verlangen, liederen van vertrouwen. Maar ze overleed. Wat was hier de zin van? Ik snapte het niet. Ik snapte God niet. Hij leek wel afwezig. Zoals God wel vaker zo ver weg lijkt. Ik hoor mezelf dan preken. Maar het lijkt wel een ander te betreffen. De mystici noemden dat ‘The dark night of the soul – de donkere nacht van de ziel.’ Iemand die die ook kende was moeder Theresa. We kennen haar als die kleine, maar moedige non, die zoveel goed werk verrichte voor de verschoppelingen in de sloppenwijken van de Indiase miljoenenstad Calcutta. Na haar leven werden er brieven van haar gepubliceerd, waaruit een hele andere kant van haar naar voren kwam: haar geloofsstrijd, haar twijfels. Ze schreef: ‘De duisternis is zo donker – en ik ben alleen. – Ongewenst, verlaten. – De eenzaamheid van het hart dat liefde verlangt is ondraaglijk. – Waar is mijn geloof?  - Zelfs diep binnen in me, recht in mijn hart, is niets anders dan leegte en duisternis (…) Zo vele onbeantwoorde vragen leven er in mij…’

Toch heeft ze het volgehouden, haar lange donkere nacht van de ziel. Ze droeg het als een lijden met Jezus Christus. 
Hij riep immers ook dat God Hem had verlaten, toen Hij stierf aan het kruis. In onze worstelingen, in onze vragen, in ons gemis, zijn we dus dicht bij Jezus. Is Hij dicht bij ons. Alleen met Hem is die donkere nacht van de ziel door te komen en uit te houden.
Dus Job, dus ieder aangevochten mens: waar is de Vader? Daar: in Jezus, in zijn medelijden met ons, in zijn medestrijden, in zijn ontferming.

Ik had het al over collega Dirk de Bree. Hij schreef een prachtig boek over Job: ‘De kwestie Job’. Helemaal in het begin en helemaal aan het eind daarvan staan twee aangrijpende gedichten, die ook gebeden zijn. Ze zijn van José Loeviera.
Het eerste gedicht is helemaal geënt op Job, op zijn vragen, op zijn klachten, op zijn ontboezeming:

wanneer waarom
om voorrang strijdt
geen antwoord God waarom
de twijfel mijn gedachten splijt
mijn God waarom waarom
ik bid prijs God
U geeft en hebt genomen.
aanvaard vertrouw
ik spuug en spot
ik slik en stouw en grauw
was ik maar dood
of nooit geboren
gestikt in diepe rouw

Het gedicht aan het eind is juist geënt op Jezus. Loeviera schreef het ook op Pasen. En Goddank maakt dat verschil, een cruciaal verschil: met alle vragen die we hebben en houden:

WAAROM (deel 2)

wanneer waarom
de hemel splijt
de Zoon schreeuwt Zijn waarom
Eli lama sabachtani
verlaten God waarom
Zijn dood de diepste nood bereikt
Zijn hand de diepste wond
roep ik
waarom waarom mijn God
waarom waarom voor mij

de Zoon staat op
de dood verdwijnt
het licht bereikt de grond
het graf is leeg
de wind waait wit
de bloesem in het rond
de bomen klappen
luid en juichen
het refrein
waarom waarom mijn God
waarom waarom voor mij

wanneer waarom
de nacht verbleekt
de morgenster komt op
de liefde luidt de lente tooit
de bruid zingt haar waarom
dans ik de zon
zing ik de maan
ik spring de pijn voorbij
ik strooi de sterren in het rond
ik juich de aarde blij

wanneer waarom
de hemel splijt
de Zoon schreeuwt Zijn waarom
Zijn dood de diepste nood bereikt
maakt Vaderliefde vrij.

Amen 

zingen (met combo)         Hemelhoog 543 'O Heer mijn God'

overstapmoment van oudste kinderen van de kindernevendienst

Benjamin v.d. Brink, Emma Hakkesteegt, Hadassa Hilgers, Boris de Jong, Liselotte Pouwels, Phyllis Schmitz, Pieter Schmitz, Elize Valster, Esther Valster, Thijs Valster (Eefje Schotanus was verhinderd) namen afscheid van de kindernevendienst en werden welkom geheten in de kerk. Dat gebeurde bij het gevulde doopvont, waar ze hun rechterhand in staken. Ze kregen een tekst mee, die de leiding van de kindernevendienst had uitgekozen en een dagboekje. 

Ds C07360

zingen (staande!)   Hemelhoog 61:1 De Here zegent jou

welkom heten op catechisatie

dankgebed en voorbeden

collectemoment

slotlied          Lied 657:3,4 ‘Het donker kan verbleken’ 

zegen