welkom en mededelingen
aanvangslied Psalm 25:7 ‘Gods verborgen omgang vinden’
stil gebed
votum en groet
openingstekst ‘Een vriend is je altijd toegedaan, je broer is geboren om te helpen in tijden van nood.’ (Spreuken 17:17)
zingen Hemelhoog 359:1 ‘Nooit kan ’t geloof te veel verwachten’
lezing van het gebod De Tien Woorden als lofzegging (uit het Dienstboek)
zingen Lied 304 ‘Zing van de Vader in den beginne’
gebed om de verlichting met de Heilige Geest
kindermoment
Kijk, wat ik nu meegenomen heb.
Vorig jaar werd dit shirt in Frankrijk opgevangen door onze Myrthe, bij de Tour de France. Maar ja, het is een L, dus een beetje groot voor haar. Toen kreeg ik het van haar. Lief hè!
Maar weet iemand wat dit voor een shirt is? Er staan allemaal rode bolletjes op. Daarom heet het de ‘Bolletjetrui’. De wielrenner in de Tour die het beste in de bergen rijdt, mag deze dragen. En daar heb ik een shirt van. Ja, ik kan ook heel hard door de Spoortunnel fietsen of de Coenecoopbrug op… Toen ik het gisteren aan had in de stad, herkende alleen niemand mij. Raar hè!
Zonder gekheid. Houden jullie van de bergen? Wie gaat er op vakantie naar de bergen? Wat vind je mooi aan de bergen? Ja, bergen zijn prachtig. Je voelt je er zelf zo klein bij en dan te bedenken dat God die bergen geschapen heeft.
Maar soms kun je ook ergens als een berg tegen opzien. Straks na de vakantie een nieuwe juf of meester, misschien wel naar een andere school. Of als je gaat verhuizen. Of als het niet goed gaat met je opa of oma, of iemand anders van wie je veel houdt. Dan is dat allemaal als een berg waar je tegenop ziet.
Gelukkig mag je dan nog hoger kijken dan die bergen, naar de Here God, de Vader in de hemel, Hij helpt je. Hij helpt je over die bergen heen. Echt waar.
Zullen we daar van gaan zingen, met het mooie lied ‘Ik hef mijn ogen op naar de bergen’?
zingen (kinderlied) Hemelhoog 38 ‘Ik hef mijn ogen’
schriftlezing 1 Job 4:1-8; 5:8-9, 17-18
zingen Psalm 31:1 ‘Op U vertrouw ik, Heer der heren’
schriftlezing 2 Job 8:1-6, 20-22
zingen Psalm 31:9 ‘Voor hen die tegen mij zich wenden’
schriftlezing 3 Job 11:1-8, 13-20
zingen Psalm 31:13 ‘Doe over mij genadig lichten’
schriftlezing 4 Job 19:21-29
zingen Psalm 31:15 ‘Hoe groot is ‘t goed, dat Gij, o Here’
verkondiging Thema: Job en z’n vrienden
Gemeente van Jezus Christus,
je hebt iemand nodig
stil en oprecht
die als het erop aan komt
voor je bidt en voor je vecht
pas als je iemand hebt
die met je lacht en met je grient
dan pas kun je zeggen:
ik heb een vriend
Aldus Toon Hermans in zijn beroemde gedichtje over vriendschap.
Zijn Jóbs vrienden zo?
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat zij er bij ons niet zo best op staan, toch?
Maar laten we niet vergeten dat ze wel naar Job toekwamen toen dat verschrikkelijke leed hem overkwam. En het eerste wat ze deden was zeven dagen lang bij hem zitten en zwijgen…
Je hebt iemand nodig
stíl en oprecht
Ze zijn stil en ze rouwen met Job mee. Daarin zijn ze echte vrienden. ‘Een vriend die je altijd is toegedaan, die is geboren om te helpen in tijden van nood’, zeg het Spreukenboek. We hoorden het aan het begin van de dienst. Zulke vrienden heeft Job dus. Ik hoop dat jij ze ook hebt en zelf bént.
Pas na die zeven dagen zwijgen gaan Jobs vrienden spreken. Ná Job. Als die als eerste z’n mond geopend heeft – we hoorden het vorige week, over zijn heftige klachten en indringende vragen – dan beginnen daarna die vrienden ook te spreken. Daar is wel lef voor nodig. Je kunt bij al die moeilijke vragen die Job stelt ook zeggen: ‘Dat weet ik niet hoor. Vraag de dominee maar. Of een ouderling. Of een psycholoog…’
Maar dat doen die vrienden niet. Ze nemen zelf het woord. En dat is moedig.
Laten we daarom ook mild zijn naar die vrienden toe. Ze doen het dan maar toch: het gesprek met hun vriend aangaan. Ze laten hem ook in die zin niet vallen.
En ze krijgen in het boek Job ook de ruimte. Ze komen uitgebreid aan het woord. Niet voor niets. Het zijn ook stemmen die we herkennen: uit de Bijbel, uit de kerk, en misschien ook wel bij onszelf. Die vrienden zitten misschien ook wel in ons.
We gaan ze één voor één langs…
Als eerste Elifaz. Hij is de mildste van het stel. Let op hoe hij begint: ‘Kun je verdragen dat iemand het woord tot je richt?’ Hij vraagt Job dus eerst toestemming om wat te zeggen. Dat is toch aardig, om niet te zeggen: pastoraal?
Alleen wacht Elifaz het antwoord niet af, maar gaat door. Aanvankelijk blijft hij dicht bij Job, hoe hij hem kent. Hoe Job velen heeft bijgestaan met raad en daad, heeft bemoedigd en geholpen. Maar nu ziet Elifaz een heel andere Job, nu die zelf in de ellende zit. Nu lijkt Job de moed te verliezen en het op te geven: zo’n contrast met hoe hij was! En dan stelt Elifaz een nieuwe vraag: ‘Vertrouw je niet op je ontzag voor God en je onbesproken levenswandel?’ En: ‘Ken je onschuldigen die God te gronde richtte?’
Merk je, er is iets veranderd bij Elifaz: z’n vragen zijn suggestief geworden. Ze eindigen met de stelling: ‘Wie onrecht pleegt, wie rampspoed zaait, zal het ook oogsten.’ Elifaz begon met vragen, maar nu weet hij het zeker: rampen zijn een gevolg van je eigen onrecht. Eigen schuld, dikke bult…
Ik zei al: dit zijn herkenbare stemmen. Ook elders in de Bijbel kom je dit tegen: dat als je God dient, dat je gezegend wordt. En als je Hem niet dient dat dit ook gevolgen heeft. Paulus schrijft: ‘Wat je zaait, zul je oogsten.’
Maar je moet met zulke principes wel uitkijken. Bij anderen die door het leed getroffen zijn en daarmee worstelen. Hoe vriendelijk Elifaz dat ook doet. Dan worden Gods woorden geen staf om mee te gaan, maar een stok om mee te slaan.
Ik zei al: dat van die vrienden zijn herkenbare stemmen. Je hoort die vandaag de dag ook terug in het zogenaamde welvaartsevangelie, dat z’n miljoenen verslaat en dat zegt: als je God dient, als je maar genoeg aan Hem en de kerk geeft, dan gaat het je voor de wind. Maar als je dat niet doet, dan krijg je tegenslagen. Je zou dan maar net als Job gebukt gaan onder tegenslagen: is dat dan omdat je te weinig gelooft en voor God doet? Dat is toch genadeloos!
Net als de seculiere versie daarvan zeg maar: iemand die je niet mag, waar je van alles op aan te merken hebt, die krijgt een tegenslag: ‘Karma!’, wordt er dan gezegd. M.a.w.: boontje komt om z’n loontje. Maar ook dat is zo onbarmhartig. Alsof het leven een soort rekensommetje is… Nee, daar is het veel te raadselachtig voor.
Mensen kunnen blijkbaar moeilijk omgaan met raadsels en geheimen. Ook Elifaz niet. Hij heeft nog een verklaring voor Jobs lijden: ‘Gelukkig de mens die door God wordt getuchtigd…’ Met andere woorden: zie het lijden als een corrigerende tik, als een manier waarop God je opvoedt. Daar word je alleen maar sterker en beter van.
Nou, Job wordt er helemaal niet beter van. Hij voelt zich door Elifaz onbegrepen en in de steek gelaten.
De tweede vriend die op Job reageert, is Bildad. Hij is minder breedsprakig dan Elifaz. Ook veel directer. Net als wij westerlingen, toch? Zeggen wat je denkt. In mijn eerste gemeente in Broek op Langedijk kwam ik het summum daarvan tegen. Daar waren ze zo direct, dat ik soms wel eens dacht: je zegt nu wel wat je denkt, maar misschien had je eerst nog wat langer moeten denken, voordat je het eruit knalde. Nu is het wel heel bot. Maar als je eerst had nagedacht, – zo van: wat wil ik en vooral: hóe ga ik het zeggen? – dat was toch wel beter geweest.
Bildad heeft Job horen zeggen dat hij God ervaart als een tegenstander. Daar slaat Bildad op aan: ‘Is God dan onrechtvaardig? Verdraait Hij het recht?’ Dat kan toch niet waar zijn! In al z’n directheid concretiseert hij het vervolgens naar Job toe: ‘Als je kinderen tegen God gezondigd hebben, gingen zij ten gronde aan wat ze misdeden.’
Au! Elifaz was nog voorzichtig en omzichtig, mild en pastoraal; dat kunnen we van Bildad niet zeggen. Hoe deze hier de dood van Jobs kinderen meent te moeten verklaren vanuit zijn opvatting over Gods rechtvaardigheid. Dat is toch ontzettend pijnlijk voor Job, allesbehalve troostvol, kneiterhard.
En toch is ook Bildad een vriend van Job en om hem bewogen. Hij heeft ook hoop voor Job: ‘Eens zul je weer lachen en komt er weer vreugde in je bestaan.’ Maar hoe Job dat waardeert, na die eerdere verbale mokerslag, dat laat zich raden…
Als derde is daar Zofar. Hij is net zo direct als Bildad en ook nog eens een stuk emotioneler. Hij laat zich gaan tegenover Job en noemt hem een zwetser, een spotter, een dwaas. Vanwege alles wat Job heeft durven zeggen over en tegen God. Dat kan Zofar niet verkroppen. Hij neemt het op voor de Here God. Dat is mooi, toch? Als je opkomt voor God, voor zijn naam, voor zijn eer. Als je daarvoor in vuur en vlam staat.
Maar helaas gaat dat bij Zofar wel ten koste van de geslagen Job. Ook Zofar suggereert dat Job door zijn eigen schuld in de ellende is geraakt. Als hij z’n schuld erkent en het onrecht loslaat, dan zal het hem weer beter gaan. Aldus Zofar. Ja, ook hij redeneert helemaal vanuit het vergeldingsdogma. Dat Job zoveel leed ondervindt, moet wel komen door zijn eigen zonde en onrecht. Maar Job ontkent dat juist. Hij heeft God juist gediend, met hart en ziel. Dus ook deze vriend helpt hem hiermee niet. Integendeel.
Dit zijn Jobs vrienden. Inhoudelijk is het echt geen onzin wat ze zeggen. Ze hebben soms best een punt. ‘Maar’, schrijft Dirk de Bree terecht, ‘hun timing is echter zo onhandig dat hun waarheid totaal niet overkomt (…) Ware woorden worden onwaar als je ze op het verkeerde moment en met een verkeerde bedoeling zegt.’
Dat is raak gezegd. Ik denk dat we, juist ook in de kerk, dat risico lopen. Dat we zo op kunnen komen voor de waarheid, voor de bijbelse waarheid, dat we daarmee toch helemaal de plank misslaan, omdat we niet goed luisteren waar die ander zit, wat zijn of haar pijn is, de vragen zijn, diens verlangen is.
En dat horen Jobs vrienden niet. Ze luisteren niet echt. Ze discussiëren. En zo raken ze Job steeds meer kwijt en hij hen. De discussie wordt uiteindelijk een puinhoop.
Misschien herken je dat ook wel. Wat een gesprek had moeten zijn, werd een discussie, leidde tot hete hoofden en koude harten en je raakte elkaar kwijt. Net als Job en z’n vrienden.
Kan het anders? Hoe ben je een goede vriend in dezen? Door niet zo met jezelf bezig te zijn. Kijk, die vrienden van Job waren vooral druk met hun eigen denkraam, met hun ideeën, hun verklaringen. Ze meenden God te moeten verdedigen. Maar dat hoeft niet. God kan, met eerbied gezegd, wel tegen een stootje. Hoor maar wat Job allemaal tegen Hem kan en mag zeggen.
Dus hoe ben je een goede vriend in dezen? Door ook hierin er juist voor die ander te zijn. Door die ander uit te laten spreken. De vragen tevoorschijn te luisteren. Eerlijk en kwetsbaar en dat niet dichtsmeren met vrome stoplappen.
Zulke vrienden ontbeert Job. Niet alleen God is tegen hem, z’n vrienden ook. Zo ervaart hij dat. Het maakt hem eenzaam. Maar dan, midden in zijn grootste aanvechtingen en eenzaamheid, roept Job het uit: ‘Ik weet: mijn redder leeft.’ Waar komt dit opeens vandaan? Deze lichtflits in de nacht, dit loflied op de puinhopen van zijn bestaan!
Hoe komt Job opeens hierop? Zou het niet te maken hebben met zijn omgang met God? In het eerste hoofdstuk hoorden we hoe Job God diende, wat voor een vader hij was voor zijn kinderen, ze één voor één bij God bracht. Hen ruimte gaf én voor hen bad en offerde. Hoe hij na dat verschrikkelijke leed, na al die rampen, aan God bleef vasthouden.
Dat had alles te maken met de basis van z’n leven, de vertrouwelijke omgang met God – ‘Gods verborgen omgang vinden’, zongen we met Psalm 25 – dat is toch ook de bron waaruit nu die uitroep van Job opborrelt. Juist op het dieptepunt van zijn bestaan.
‘Ik weet dat mijn Redder leeft’. Het klinkt inderdaad als een liedregel, als een geloofsbelijdenis, als iets dat hij uit z’n hoofd kent. ‘By heart’, zeggen de Engelsen trouwens veel mooier, veel dieper vooral.
Het deed me denken aan een man die ik bezocht. Hij had net een herseninfarct gekregen. Toen ik vroeg of er een bepaald bijbelgedeelte was dat hem lief is, kwamen er in één stroom bijbelteksten en liedregels uit. Hij raakte daarbij steeds geëmotioneerder. Het lag blijkbaar allemaal op de bodem van z’n hart – learning by heart – en borrelde nu omhoog, tijdens dit crisisoment in z’n leven. Dan moet je dat wel geleerd hebben en er wel mee geleefd hebben…
Net als Job: ‘Ik weet dat mijn Redder leeft.’ In het Hebreeuws staat daar ‘go’el’, oftewel ‘losser’.
Een losser was toentertijd iemand die voor je opkwam. Bijvoorbeeld als je in de schulden terechtgekomen was, of als er geen erfgenaam meer in de familie was. Boaz is zo’n losser bij Ruth. Hij ontfermt zich over haar en haar schoonfamilie.
Job in al z’n nood, eenzaamheid en aanvechtingen, beroept zich op dé Losser. Hoe Job Hem vervolgens omschrijft, als Degene die hier op aarde zal ingrijpen, die hem God zal laten aanschouwen, dat kan niet anders dan God zelf betreffen. Hoe bijzonder is dat: Job beroept zich op God tegen God!
In het prachtige muziekstuk The Messiah van Händel horen we Jobs belijdenis terug in de aria ‘I know that my Redeemer liveth’. Het gaat daar inderdaad over de Messias, over Gods eigen Zoon, die mens werd met ons, die zich gaf voor ons én opstond uit de dood. Hij is de vervulling van ‘Ik weet dat mijn Verlosser leeft’. Hij is de Losser, die als geen ander voor ons opgekomen is en opkomt. Onze grote voorspraak, onze Advocaat, die voor ons pleit en bidt. We mogen altijd bij Hem in beroep gaan.
‘I know that my Redeemer liveth’. Het werd gespeeld toen de kist met mijn vader de kerk in werd gedragen. Dat was al een preek op zich.
Een paar dagen voor zijn overlijden kwamen de aanvechtingen ook op hem af. Zijn arts belde vanuit het ziekenhuis, met de mededeling dat mijn vader ‘verpleeghuiswaardig’ was, dus dat ze eigenlijk niets meer voor hem kon doen, en dat mijn vader eigenlijk ook niet meer thuis kon zijn. Hij wist niets meer te zeggen – en dat had hij nooit. Dit bericht, dit donkere toekomstscenario, schoof als een dichte mist tussen hem en God. De zekerheid van het geloof leek weggeslagen. Maar toen kwam de zondag. M’n vader keek naar de dienst – zoals hij altijd deed, als trouw lid van de thuisgemeente – en toen brak opeens het licht weer door, hij voelde zich zo aangesproken door het Evangelie, alsof de dominee alleen voor hem stond te preken, alsof Christus zelf z’n hand op hem legde. Dus ja, ‘I know that my Redeemer liveth’. In de nacht daarna, van zondag op maandag, overleed hij.
Dus daarom klonk dat lied uit The Messiah, met die belijdenis van Job, in z’n afscheidsdienst. Als een opstandingslied. Want Job gaat verder, en ik citeer nu uit de Herziene Statenvertaling: ‘en Hij zal ten laatste over het stof opstaan.’
Dit is een echte paastekst. Professor v.d. Beek noemde dit ‘het meest concrete gedeelte uit de Bijbel over de verrijzenis van het vlees.’
Ja, we belijden toch de opstanding des vleses, de lichamelijke opstanding. Job belijdt het mee. In z’n eigen geschonden lichaam, met die afschuwelijke zweren, met z’n kapotgekrabde huid. Het zal opstaan. In een verheerlijkte gestalte. Omdat onze Verlosser leeft. Omdat Hij is opgestaan.
Hoe troostvol en hoopvol is dat als je te maken hebt met een lichaam dat niet meer doet wat je wil, als je aangelopen bent tegen allerlei beperkingen, bij jezelf of bij een geliefde, als een lijf gesloopt wordt door de kanker en/of de chemo’s, als er steeds meer gaten vallen in de geest door de dementie of andere hersenaandoeningen, of als je dat alles vreest. Hoe hoopvol is het dat er een opstanding is. Van ons hele bestaan: geest en lichaam. Van deze hele werkelijkheid. Dankzij onze Redder die leeft. En wij met Hem. Tot in alle eeuwigheid. Amen
zingen Hemelhoog 610 ‘Ik weet: Hij heeft mij gered’
dankgebed en voorbeden
collectemoment
zingen Lied 418:1,2 ‘God, schenk ons de kracht’
zegen