welkom en mededelingen
aanvangslied Lied 283:1,3,4 ‘In de veelheid van geluiden’
stil gebed
votum en groet
openingstekst ‘Tot God, mijn rots, wil ik zeggen: ‘Waarom vergeet U mij?’’ (Psalm 42:10a)
zingen Psalm 42:5,6,7 ‘Laat zijn trouw de dag verblijden’
lezing van het gebod de Tien Woorden in vraagvorm
1) Ben Ik echt de belangrijkste voor jou, elke dag van je leven?
2) Laat je zien wie Ik ben en vereer je Mij zoals Ik graag wil, en wijs je daarin bijvoorbeeld ook je kinderen de goede weg?
3) Is mijn naam je zoveel waard, dat je er voor opkomt, ook tegenover anderen?
4) Reserveer je de eerste dag van de week als rustdag voor Mij, een dag van vrijheid, vrede en vieren?
5) Erken je de verhoudingen waarin Ik je plaats, bijvoorbeeld als kinderen en ouders naar elkaar toe?
6) Gun je je naaste zijn of haar plek en zoek je echt het goede voor hem of haar?
7) Ga je zuiver om met liefde, relaties en seksualiteit?
8) Respecteer je het bezit van je naaste, en ben je tevreden met wat Ik je geef?
9) Ben je zuiver en oprecht in wat je tegen en over je naaste zegt?
10) Vertrouw je Mij in mijn zorg voor jou, en is jouw hart echt mijn woonplaats?
zingen Psalm 81:8,9 ‘Ik ben Hij-die-is’
gebed om de verlichting met de Heilige Geest
zingen (kinderlied) Hemelhoog 257 ‘Zie de zon’
kindermoment
Ik wil jullie iets laten zien, maar dan moet je wel even naar het scherm kijken.

Daar zie je zeven plaatjes, zeven enorme bouwwerken van heel lang geleden. Kunnen jullie zien wat het zijn? De piramides van Egypte. Daarnaast de hangende tuinen van Babylon. De tempel van Artemis in Efeze. Het beeld van Zeus in Olympia. Het mausoleum van Halicarnassus, de Kolossus van Rhodos, en onderaan de Pharos van Alexandrië. Enorme grote bouwwerken die ook wel de zeven wereldwonderen werden genoemd. Nou, dat snap je wel hè.Maar weet je, van die zeven wereldwonderen kun je er eigenlijk nog maar twee bekijken: die piramides in Egypte en die tempel in Efeze. Hoewel die laatste een ruïne is, er staat meer niet dan wel overeind.
Nee, dan deze rots die wij op onze vakantie in Frankrijk zagen.
Die is ook kolossaal, maar die staat nog fier overeind. Kijk, eens hoe mooi! Nee, dit is niet door mensen gemaakt, zoals die zeven wereldwonderen van net. Wie heeft deze rots gemaakt? De Here God. Het is een wonder van Hem. Een echt wereldwonder.
Maar voor zo’n wereldwonder hoef je niet naar Frankrijk of naar Egypte. Nee, je kunt veel dichterbij blijven. Want wat zie je hier?

Een vinger. Nou, je hoeft niet naar het scherm te kijken, maar gewoon naar je eigen vinger. En als heel goed kijkt zie je allemaal lijntjes bij elkaar. De vingerafdruk heet dat. Wist je dat niemand precies dezelfde vingerafdruk, precies dezelfde lijntjes als jij hebt? Iedereen heeft een eigen unieke vingerafdruk. Wonderlijk hé! Ja, we zijn allemaal dus een wereldwonder. Door God gemaakt.
Nou, daar gaat het over in de Vakantiebijbelweek. Die is er weer deze week, van woensdag tot en met vrijdag en zondagmorgen een feestelijke dienst hier in de kerk. De kids zijn hier in onze kerk welkom vanaf 9.30 uur en de tweens in de Oostpoort, juist weer ’s middags. Ach, kijk maar even in de zondagsbrief of op de website van STEP Gouda. Van harte welkom. Ook om mee te helpen, gemeente…
Volgens mij wordt het wonderlijk mooi. Een goede kindernevendienst en tot straks.
schriftlezingen Job 27:1-6; 29:1-6; 30:20-26 en 31:35-40
zingen Psalm 26:1,2,5 ‘O Heer, op wie ik pleit’
verkondiging Thema: God in de beklaagdenbank
Gemeente van Jezus Christus,
In zijn boek De kwestie Job vertelt ds. Dirk de Bree over de film God on trial (God in de rechtbank). Het is een verfilming van een verhaal van Elie Wiesel. Daarin worden door de kampbewoners drie mannen aangesteld om een geïmproviseerde rechtbank te vormen: een aanklager, een advocaat en een rechter. De kwestie is: heeft God zijn verbond verbroken? Hij heeft Israël toch beloofd trouw te zijn, maar nu worden de Joden vermoord in de concentratiekampen. Is God zijn volk dus vergeten? Als dat zo is, heeft God zijn verbond verbroken. Dan is Hij schuldig.
De één na de ander van de aanwezigen komt met een aanklacht tegen God: over kinderen die weggerukt zijn bij hun ouders, die de gaskamers in werden gedreven, over zoveel gruweldaden meer. God heeft het niet voorkomen. Dat staat toch haaks op zijn verbond?
Anderen springen juist voor God in de bres: ‘Hij kan niet schuldig zijn aan zoveel leed. Wij hebben gezondigd.’ Of: ‘Wij hebben dit nodig. God wil ons volk inzetten voor de wereld en daarom moeten we zo lijden.’ Maar weer een ander antwoordt: ‘Zoveel lijden? Heeft God dat nodig? Wat wil Hij daarmee voor goeds bereiken? Dit ís niet goed.’ En God zelf? Hij zwijgt…
‘God on trial’. Het boek Job begint daar intussen steeds meer op te lijken. Job voert een pleidooi om zichzelf te verdedigen tegen de aanklachten van zijn vrienden, maar tegelijk is het ook een requisitoir, een aanklacht. Tegen niemand minder dan God zelf. Job zet God in de beklaagdenbank. Want God heeft hem dit alles naar zijn gevoel aangedaan, terwijl hij zelf onschuldig is. Dat is onrechtvaardig en oneerlijk. Dat is, kort gezegd, Jobs aanklacht.
Is het niet ongehoord: de allerhoogste Rechter wordt door Job aangeklaagd. De Here God in de beklaagdenbank. God on trial…
Voordat we hier verder en dieper op ingaan, eerst nog iets anders. Is het eigenlijk niet vreemd dat dit gebeurt? In hoofdstuk 19 had Job beleden, op de puinhopen van z’n bestaan: ‘Ik weet dat mijn Verlosser leeft.’ In al z’n ellende, te midden van alle raadsels, had Job zich aan God vastgeklampt: ‘U leeft. Dit kapotte lijf van mij is niet het laatste. U zult het helen. Het zal opstaan. Ik zal opstaan. Omdat U leeft.’ Het klonk als een bazuinstoot van geloof. Als Paaslicht in de duisternis.
Had het boek niet met die climax kunnen eindigen? Dat zou je toch verwachten?!
Maar dat gebeurt niet. Het gaat verder. Met nieuwe klachten en vragen. Hoofdstukken lang. Waarom? Wat heeft dat voor zin?!
Wie denkt er niet: je moet nu ophouden, Job, nu weten we het wel! Zoals we dat soms ook kunnen hebben als iemand weer begint over z’n ellende, over al die vragen die hij of zij heeft, als iemand voor de zoveelste keer over z’n moeiten begint. Op een gegeven moment is het toch klaar?! Zeker als je daarvoor je geloof op zo’n bijzondere wijze geuit hebt. Houd daar dan aan vast!
Maar Job houdt zich niet aan onze scripts, gemeente. Zoals de hele Bijbel dat niet doet. Juist ook omdat het zo’n reëel boek is. Zo helemaal uit het leven gegrepen. Want na die belijdenis van Job hadden z’n vrienden - Zofar, Elifaz en Bildad - weer gereageerd. En daar had Job weer op gereageerd. Want hun aanklachten, verwijten en verklaringen voor Jobs ellende kon hij niet onweersproken laten.
Professor v.d. Beek zegt hierbij treffend: ‘Het geloof in de opstanding kan nooit het aardse gesprek het zwijgen opleggen. De belijdenis van een laatste recht kan nooit de mens de mond snoeren die op aarde onrecht ervaart. Daarom herneemt Job het woord, zoals zijn vrienden het woord hernemen. Daarom herneemt de aangevochten mens het woord, nadat de geloofsbelijdenis in de gemeente is uitgesproken. Daarom hervatten wij dat het lijden op aarde onrecht is, ook nadat het paasfeest is gevierd. Want elke morgen dat de zon verrijst over onrecht in de wereld, klagen wij God aan dat het deze dag geen Pasen op aarde is en Hij nu en hier ons geen recht doet.’
Tot zover prof. V.d. Beek. Ik moest ook denken aan dat visioen in Openbaring, waar de martelaren onder de troon tot God roepen: ‘Hoe lang nog, Heer? Wanneer zult U de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken?’ En dat wreken is geen blinde wraakzucht, maar de roep om recht te doen. Dus zelfs in de hemelse heerlijkheid klinkt die klacht vanwege het onrecht en die prangende vraag om recht. Naast de aanbidding en de lofprijzing. Zoals ons Psalmenboek naast de lofpsalmen ook net zoveel klaagpsalmen telt. Niet voor niets. Daar is ruimte voor. Daar moet ruimte voor zijn. Net als bij Job. Laten we dus dankbaar zijn voor die volgende hoofdstukken, na Job 19. Dankbaar voor onszelf. Voor anderen, die zich als een Job voelen…
De vrienden van Job zijn er nog steeds zeker van: dat Job door al die ellende getroffen is, komt door hemzelf. Hij moet wel bepaalde zonden hebben gedaan. Want zo is het principe: als je goed doet, word je gezegend, als je kwaad doet, word je gestraft. De ellende van Job is dus Gods oordeel over diens zonden. Het is Jobs eigen schuld.
Daar gaat Job tegenin. Consequent: ‘Ik blijf bij mijn rechtschapenheid, tot het einde toe, over mijn leven heb ik mijzelf niets te verwijten.’
We hebben vanmorgen de hoofdstukken niet in z’n geheel gelezen. Dan zou het ook wel een hele lange dienst worden. Maar als je dat wel zou doen, dan zou je merken dat Job z’n rechtschapenheid ook concreet maakt. Hij benoemt z’n goede daden: dat hij armen heeft gered die om hulp riepen, wezen en weduwen hielp, stervenden nabij was. Zijn kleding deelde hij met daklozen. Hij was niet verslaafd aan z’n geld en goed. Hij was niet jaloers. Hij vloekte nooit. Niemand werd door hem buitengesloten. Kortom: hij is een goed en integer mens geweest. Hem treft geen verwijt. Hij is onschuldig.
Ik weet niet hoe u dit pleidooi van Job vindt, maar overdrijft hij nou niet een beetje? Wat zeg ik: meer dan een beetje! Overschat hij zichzelf niet?
Wij zijn toch heel anders opgevoed en hebben het anders geleerd: namelijk dat de mens geneigd is tot alle kwaad. Dat het vaak tegenvalt. Wat Paulus schrijft: ‘Het goede dat ik wil, doe ik niet, en het kwade dat ik niet wil, doe ik juist wel.’ We zijn toch allesbehalve onschuldig?!
Of is het toch goed dat zo’n stem van Job hier klinkt? Laten we wel zijn: die is ook helemaal in lijn met Psalm 26, waarin ook onschuld wordt beleden, waarin de dichter aangeeft dat hij goed heeft gedaan en heeft willen doen, dat hij God echt met hart en ziel heeft gediend en zich om z’n naaste bekommerd heeft.
Kijk, die geneigdheid tot het kwade, onze zondigheid, kan ook een soort excuusbrief worden: ‘Tja, we zijn nu eenmaal zo. Niks aan te doen. Maar de Here God vindt het toch niet zo erg, want Hij vergeeft ons graag.’
Nou, zo maak je de genade goedkoop. En dat is-ie niet! De Here God vindt het kwaad juist wel erg. Het gaat Hem ontzettend aan het hart als we onrecht doen, als we zijn geboden met voeten treden, als we de ander links laten liggen, kleineren. Als we zijn goede schepping kapotmaken. Dat vindt Hij verschrikkelijk.
En de Here God geniet er juist van als we net als Job wel het goede doen, als we integer zijn, als we dichtbij Hem en zijn bedoelingen blijven. Met onze daden, met onze woorden, in ons denken. Door genade zijn we daartoe ook in staat, gemeente!
En weet je wat ik ook zo mooi vind? Dat Job hier ook een stuk eigenwaarde van heeft gekregen.
Toen Job zijn klachten begon in hoofdstuk 3, toen vervloekte hij zijn geboortedag, toen wenste hij eigenlijk dat hij er niet meer was. Hij was geknakt door al het leed. Het hoefde van hem eigenlijk niet meer.
Maar kijk eens hoe Job nu God tegemoet treedt… In hoofdstuk 31 zegt hij: ‘Ik kan van al mijn gangen rekenschap afleggen. Fier als een vorst treed ik de Almachtige tegemoet.’ Job heeft z’n rug gerecht. Met opgeheven hoofd treedt hij God tegemoet. Job is dus in z’n lijden gegroeid. Ook dat kan, gemeente… Ik heb diezelfde fierheid ook gezien bij mensen die getroffen waren door een groot leed, maar zo liefdevol bleven, zo positief, zo mild en diep menselijk. Eigenlijk waren ze een nog mooier mens geworden.
Tegelijk is daarmee die ellende niet weg: al die rampen die Job getroffen hebben, z’n kinderen die omgekomen waren, de afschuwelijke ziekte die hij draagt. Met weemoed kijkt Job daarom terug naar de tijd daarvoor: ‘Was alles maar als in de dagen van weleer, als in de dagen dat God over mij waakte.’ Toen was God mét hem. Het gezelschap van God was vertrouwd. Job wist zich gezegend. Met z’n kinderen. Met het goede leven. Beeldend verwoordt Job dat als volgt: ‘Toen ik mijn voeten in room liet baden en een stroom van olie voor mij opwelde uit de rots.’ Room en olie zijn in het Oude Testament tekenen van voorspoed. Het kon voor Job niet op.
Dat was niet zijn eigen verdienste geweest, zo van: ‘Kijk eens hoe hoog ik in de Quote-500 sta! Helemaal zelf gedaan!’ Nee, het waren zegeningen van God. Waar Job zo dankbaar voor was. Waar je God ook niet genoeg voor danken kunt.
Ik was van de week bij gemeenteleden, waar ik dat ook proefde. Ze schaamden zich bijna dat ze het elke keer weer zeiden hoe dankbaar ze waren. Maar hoe is dat lied ook alweer? ‘Tienduizend redenen tot dankbaarheid.’ Vitamine D is het, essentieel voor ons geloofsleven. Probeer het maar, zou ik zeggen. En als je het herkent, blijf het ook volhouden…
Het gave is daarbij ook dat Job zich niet alleen gezegend wist, maar ook tot zegen werd. Dat lees je in het vervolg van hoofdstuk 29, hoe hij met wat hij kreeg anderen ook weer hielp. Z’n rijkdom werd geen afgod. Nee, Job deed dat Jezus zei: ‘Maak je vrienden met behulp van Mammon.’ Ook dat maakte Job tot zo’n mooi, tot zo’n voorbeeldig mens.
Maar ja, die voorspoed en die andere zegeningen zijn voor Job verleden tijd. Want hij is alles kwijt. Z’n rijkdom. Z’n kinderen. Z’n gezondheid. Met heimwee denkt hij terug aan die dagen van weleer. Nu is het zo anders. Totaal anders. Een verschil van dag en nacht, van licht en donker. En net als in die film zwijgt God. Zo ervaart Job het althans. Hoor hem roepen in hoofdstuk 30: ‘Ik roep om hulp, maar U antwoordt niet; ik sta voor U, maar U wilt mij niet zien. U bent wreed voor mij geworden, met al uw kracht hebt U zich tegen mij gekeerd.’
God niet meer mét hem, maar tégen hem. God als tegenstander. Een wrede tegenstander, die Job als een verwoestende storm tegen de grond heeft gesmeten.
U merkte het misschien bij de schriftlezing aan mijn stem toen ik dit las. Die stem haperde. Want wát zegt Job hier tegen God? God als een wreedaard, als Iemand die met z’n rug naar Job toestaat, die hem straal negeert. Wie zou zoiets tegen de Here God durven zeggen? Hem zó in de beklaagdenbank durven zetten. Ik eerlijk gezegd niet. Job wel…
Maar weet je wat nou zo bijzonder is? Aan het eind moet Job vergeving vragen voor zijn vrienden, want zij hebben volgens God niet juist over Hem gesproken. In tegenstelling tot Job zelf.
Snap je: God veroordeelt Job niet. Job krijgt van Hem de ruimte om z’n klachten te uiten, om God zelfs aan te klagen, om zijn onschuld te betuigen. O ja, Job gaat daarbij tot het randje. Maar er niet overheen. Job getuigt wel tegen God, maar niet zonder Hem. Hij vervloekt God niet, zegt Hem niet vaarwel, zoals de duivel wilde en ook zijn eigen vrouw. Nee, Job blijft aan God vasthouden, ook in z’n diepste klachten en aanklachten.
Job wijst ons hierin de weg. Als het leven zwaar wordt, als God niet verhoort, als je niet begrijpt waarom, dan toch God (zoals ik ergens las en met eerbied gezegd) ‘aan zijn revers pakken en Hem recht in het gezicht zeggen wat je op je hart hebt en het bijltje er niet bij neer te gooien.’ Zoals Elie Wiesel zei: ‘Je kunt met God zijn, je kunt tegen God zijn, maar je kunt niet zonder Hem.’
Terug naar die film God on trial. Aan het eind wordt God schuldig verklaard, Hij heeft zijn verbond verbroken. De rechter heeft die uitspraak nog niet gedaan of de deuren van de barakken gaan open. Soldaten stampen naar binnen. Eén voor één worden de namen voorgelezen van degenen die die dag de gaskamers in moeten. Dan klinkt de naam van een man die voorop was gegaan in de beschuldigingen tegen God. Ook zijn laatste uren hebben geslagen. De wanhoop staat in z’n ogen. Hij roept tegen z’n vader: ‘Nu hebben we God schuldig verklaard, wat moeten we nu?’ Zijn vader kijkt hem aan en zegt: ‘Nu, nu moeten we bidden.’
Hij begint te bidden. Een Psalm. Een gebed om ontferming. Om genade. Om bevestiging. Het bidden begint aarzelend, maar uiteindelijk bidden ze allemaal mee. Degenen die nog in het barak mogen blijven en degenen die afgevoerd worden. Iedereen bidt. In een blik van boven, een zogenaamde ‘Godview’, zie je ze gaan, biddend hun dood tegemoet. Tégen God, mét God.
Wie denkt dan niet aan de Messias van Israël, onze Here Jezus Christus. Ook Hij riep tegen zijn Vader: ‘Mijn God, mijn God, waarom heeft U Mij verlaten?’ Ook een gebed. Een Psalm. Een klaagpsalm. Misschien wel de aangrijpendste die er is. Maar in het allerdiepste lijden liet ook Jezus zijn Vader niet los, maar legde zichzelf, stervend, biddend, in zijn handen: ‘Vader, in Uw handen beveel Ik mijn geest.’
In en door Hem kan niets ons scheiden van God. Ook al ervaren we het zo anders. Daarom:
O Naam aller namen, aan U alle eer.
Niets kan mij ooit scheiden van Jezus mijn Heer:
Geen dood en geen leven, geen moeite of pijn.
Ik zal eeuwig zingen, dicht bij U zijn.
Amen
zingen Hemelhoog 460 ‘Ik zal er zijn’
dankgebed en voorbeden
collectemoment
zingen Lied 1005:1,2,5 ‘Zoekend naar licht, hier in duister’
zegen