welkom en mededelingen 

aanvangslied          Psalm 145:1 ‘O Heer, mijn God, Gij koning van ‘t heelal’ 

stil gebed

votum en groet 

openingstekst        ‘In Gods ogen zijn de volken als een druppel in een emmer, als een stofje op een weegschaal.’ (Jesaja 40:15)

zingen           Lied 807:1,3,5,6 ‘Een mens te zijn op aarde’ 

gebed om de verlichting met de Heilige Geest 

schriftlezing 1         Job 38:1-11

zingen           Psalm 104:1 ‘Mijn ziel, verheerlijk God om zijne macht’

schriftlezing 2         Job 40

zingen           Psalm 104:7 ‘O Heer, hoe groot moet dan uw wijsheid zijn’

schriftlezing 3         Job 42:1-6

zingen           Psalm 104:9 De ere Gods zij tot in eeuwigheid’

verkondiging         Thema: Verzet en overgave

Gemeente van Jezus Christus, 

Dietrich Bonhoeffer schreef in de gevangenis brieven en maakte er aantekeningen. Vlak voor de bevrijding werd Bonhoeffer door de nazi’s geëxecuteerd, maar gelukkig werden al die brieven en aantekeningen door zijn vriend en zwager Eberhard Bethge verzameld en uitgegeven onder de titel Widerstand und Ergebund – Verzet en Overgave.’ Die titel verzon Bethge niet zelf, maar ontleende hij aan een brief van Bonhoeffer aan hemzelf. Bonhoeffer schreef daarin: ‘Verzet en overgave moeten er allebei zijn en moeten allebei vastberaden beetgepakt worden.’ 

In het boek Job zijn ze er ook allebei en worden ze ook allebei vastberaden beetgepakt: verzet en overgave. Job verzet zich met hand en tand tegen de preken en verklaringen van zijn vrienden, tegen hun verdachtmakingen. Jobs verzet ertegen is onvermoeibaar. Maar ook Jobs verzet tegen God. Of moet ik zeggen: zijn ultieme vragen, zijn diepe klachten aan het adres van God, vanwege zijn leed, het onnoemelijke lijden dat hem overkomen is en dat God heeft laten gebeuren. Job had uiteindelijk God daarvoor zelfs in de beklaagdenbank gezet. We hoorden het vorige week. Maar nu, aan het eind van het boek, zien we dat andere bij Job: de overgave.

Allebei dus bij Job: verzet en overgave. En allebei mogen ze er ook zijn. In ons leven. In ons leven met God. In het leed en het onrecht dat we ervaren. Verzet en overgave.
Als er één ontbreekt, kan het misgaan. Overgave zonder verzet leidt tot berusting. En berusting klinkt misschien wel gelovig, maar in de Bijbel wordt wel degelijk geklaagd, gebeden of het niet anders kan en gaat. Het lot is geen God…
Maar verzet zonder overgave leidt juist tot verbittering. Als je je blijft verzetten tegen God, je je niet uiteindelijk overgeeft aan Hem, dan raak je verbitterd, dan wordt je geloof koud, dan dooft de vlam… Dus verzet én overgave.

Vanavond zien we de overgave bij Job. Hoe komt hij daartoe? Door Gods antwoord.
Ja, eindelijk is dat nu gekomen. Na 35 hoofdstukken! Na al die eindeloze discussies met z’n vrienden, na al Jobs klachten, vragen en verwijten - culminerend in Jobs smeekbede in hoofdstuk 31: ‘Laat nu de Ontzagwekkende antwoord geven!’ – nu is dat antwoord daar: ‘Toen antwoordde de HEER Job vanuit een storm.’

Ja, God antwoordt op zijn eigen wijze. Vanuit een storm. Nee, niet in het suizen van een zachte stilte, zoals bij Elia, maar vanuit een storm.
Denk dan niet aan zo’n najaarsstorm zoals bij ons, maar meer aan het noodweer dat in het Midden-Oosten kan losbarsten, na een dag van drukkende hitte. Vandaar dat de klassieke Statenvertaling het vertaalde met ‘onweer’. Vuur uit de hemel en heftige windstoten dus. Dat is de entourage waarin God aan Job verschijnt en hem antwoordt. Ontzagwekkend. Wie denkt hierbij ook niet aan de wetgeving bij de Sinaï, met dezelfde verschijnselen? Of aan Pinksteren…

Zo komt God Job tegemoet. Maar bepaald niet zachtzinnig. Het stormt in de denkbeeldige kamer waarin Job opgesloten zat, zichzelf opgesloten had. God blaast hem daar bij wijze van spreken uit. Het lijkt de uittocht wel.
Ja, er kunnen momenten zijn dat God ons mensen zo aanpakt, aan moet pakken, om ons uit zo’n donkere kamer te bevrijden. Zodat we het juiste zicht krijgen, op Hem, op onszelf, op de werkelijkheid.

En dan begint God te spreken. Hij vuurt allerlei vragen op Job af. Iemand heeft geteld: het schijnen er 70 te zijn. Een waar spervuur aan vragen. Je zou maar Job zijn!
Uiteindelijk legt hij de hand op z’n mond. Hij is uitgepraat. Hij geeft zich over. Na zijn verzet de overgave…

Niet iedereen kan Job hierin volgen. Elie Wiesel, Joods schrijver en overlevende van Auschwitz, vond dat Job te vlug heeft gecapituleerd. Hij schrijft in één van zijn boeken ‘Job had niet zomaar voetstoots moeten toegeven. Hij had moeten blijven protesteren; het fooitje moeten weigeren. En tegen God had hij moeten zeggen: Goed, ik schenk U vergiffenis, ik schenk U vergiffenis voor zover het mijzelf betreft, mijn verdriet, mijn doodsangst; maar zullen mijn gestorven kinderen U ook vergiffenis willen schenken? Ik eis dat voor hen recht geschiedt en dat het proces wordt voortgezet.’
Hoe begrijpelijk ook – zeker gezien het verschrikkelijke leed van de holocaust dat Wiesel meemaakte – hier zie je dat verzet zonder uiteindelijke overgave tot verbittering leidt. Verbittering over God, die nog steeds als tegenstander wordt gezien, een tegenstander die voor het gerecht moet komen. God on trial.

Maar is God een tegenstander? Nu Hij Job antwoordt? Kijk eens hoe Hij genoemd wordt: ‘HEER’ met allemaal hoofdletters. De vertaling van het Hebreeuwse JHWH. Oftewel Gods roepnaam, waarmee Hij zich aan Mozes bij de brandende braamstruik bekend had gemaakt. Die wonderlijke naam, die z’n uniekheid, z’n heiligheid uitdrukt: ‘Ik ben, die Ik ben.’ Maar tegelijk ook z’n nabijheid: ‘Ik ben erbij.’ Het is Gods verbondsnaam.
Weet je dat deze naam had sinds Job 1 niet meer in het boek geklonken heeft! Daar in dat eerste hoofdstuk had Job, na al die rampen die hem getroffen hadden, zich toch aan God vastgeklampt en Hem geprezen: ‘De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam des HEREN zij geloofd.’ Maar daarna, gaandeweg, al klagend en discussiërend, was Job die naam, die werkelijkheid kwijtgeraakt. Maar de Here God hem dus niet. Want onder deze naam, in deze hoedanigheid – als de God van het verbond – antwoordt de Here God Job.
Zo zie je maar hoe belangrijk het is om de Bijbel goed te lezen, gemeente. Nauwgezet. Zeker als het over God gaat. Hoe wordt Hij genoemd? Onder welke naam spreekt Hij hier, handelt Hij hier? Die naam is als een schijnwerper in Jobs donkere bestaan. Die naam drukt hier Gods verbondenheid, zijn nabijheid uit. En geen naam is er beter en zoeter voor ’t hart…

JHWH - Ik ben die Ik ben en Ik ben erbij -  ook in zijn schepping maakt God die naam waar. Zo spreekt God in zijn antwoord aan Job over de zee: ‘Ik sloot haar af met deur en grendelbalk.’ Dit zinnetje is ook weer zo’n lichtstraal, zeg maar. De zee is in de Bijbel namelijk veel meer dan een grote plas water. Nee, de zee staat daar voor alles waar een mens in kan verdrinken, voor de chaos, voor de dood. En wat doet God in zijn schepping? Hij begrenst deze. Zo is Hij erbij. Zo waakt Hij over ons. Daarin is Hij God.
En dat is Job niet. Job is niet de Schepper. Dat is het oneindig kwalitatieve verschil, zoals Kierkegaard dat noemde, tussen God en ons. Hij is God en wij zijn mens. Hij is de Schepper van alles wat is. Wij zijn schepsel. Wij waren er niet bij toen alles ontstond. Job dus ook niet.
Dus hoe kan hij de schepping dan begrijpen, hoe deze in elkaar zit, wat er gebeuren gaat? Nee, er zijn nog zoveel raadsels en geheimenissen voor Job, voor ons.
Dus als wij mensen de ‘gewone schepping’ al niet begrijpen, zou dat dan wel gelden voor de Schepper zelf, voor zijn plannen, voor zijn weg?
Ja, dat antwoord van God heeft ook een hele kritische kant, die zich uiteindelijk toespitst op de kernvraag uit het begin van hoofdstuk 40: ‘Een mens die met de Ontzagwekkende twist – kan hij Hem iets leren?’ Het is een retorische vraag, een vraag waar het antwoord al inzit: ‘niets’. Job, en een ieder van ons, kan de Here God niets leren.

Job weet zich hierdoor op z’n plek gezet. Wat kan hij hierop zeggen? Hij legt z’n hand op z’n mond. Veelzeggend gebaar voor ‘ik ben uitgepraat, ik zwijg…’ Job, die hiervoor niet om een woord verlegen was, die gloedvolle betogen hield en lange aanklachten, hij valt stil en houdt zich stil… 

De aanleiding hiervoor vormt dus Gods antwoord, waarin Hij zich presenteert als de Schepper, waarin Hij Job wijst op zijn gevarieerde schepping, met alle geheimen van dien.
Misschien is dat wel herkenbaar. Hoe je soms zo kunt piekeren, zo kunt worstelen met het leven, met God, met jezelf en dat dan de natuur je stil maakt, je diep raakt: een immens berglandschap, een daverende waterval, een stralende sterrennacht, een prachtige zonsop- of -ondergang, een schitterende regenboog, een pasgeboren kind. Je ziet het en je bent ademloos. Sprakeloos. Van verwondering. Stil voor God.
Niet dat je daarmee een antwoord hebt gekregen op je vragen of dat daarmee de moeite weg is. Dat is voor Job ook niet zo, toen God hem antwoordde. Job was nog steeds alles kwijt: z’n bezittingen, z’n kinderen en z’n gezondheid.
Kijk, laten we eerlijk zijn: in zijn antwoord is de Here God eigenlijk helemaal niet ingegaan op Jobs vragen en klachten. Hij heeft ook geen verklaring gegeven voor het lijden van Job.
Misschien vind je dat teleurstellend, maar zou zo’n verklaring echt helpen? Tish Warren, een Anglicaanse priester, zegt: ‘Uiteindelijk willen we niet dat God simpelweg uitlegt hoe het zit, dat Hij vertelt hoe orkanen of hoofdpijn passen in zijn allesomvattende reddingsplan (…) Ten diepste verlangen we naar een God die ons lijden opmerkt, die genoeg om ons geeft om te handelen, en die alles nieuw zal maken.’
Ja, gemeente, dit is toch zo? Dat we dat nodig hebben: een God die ons lijden opmerkt, die zijn naam JHWH waarmaakt: Ik ben er. Ik ben erbij. Een God die uiteindelijk de dingen rechtzet en nieuw maakt. Daar kun je mee verder, daar kun je je aan overgeven.
Of zoals ds. Troost zegt in zijn prachtige boek Morgen zal het Pasen zijn, waarin Job zijn denkbeeldige gesprekspartner is: ‘Je kreeg geen antwoord, Job. Je vond alleen een hand-woord. Het woord van de Eeuwige hielp je om de hand op de mond te leggen.’ Geen antwoord, maar hand-woord, maar Job kon daarmee wel verder. Hopelijk wij ook…

Maar de HERE God is nog niet klaar. Hij antwoordt voor de tweede keer, opnieuw vanuit de storm. Ja, ook dit is niet zachtzinnig.
Dit keer gaat het over Jobs verwijt aan God, hoe hij Hem in de beklaagdenbank had gezet, omdat God Job onterecht dat alles had aangedaan, naar zijn gevoel.
Gods repliek is pijnlijk: blijkbaar weet Job het beter. Nou, laat hem dan recht gaan doen. God daagt Job hiertoe uit.
Laat Job die handschoen maar opnemen en op eigen kracht rechtdoen, het kwaad uit de weg ruimen, voor een compleet rechtvaardige orde zorgen. Dan zal God hem prijzen, hem gelijk geven. Of … gaat Job dat niet lukken? Ligt dat niet binnen onze menselijke mogelijkheden? Het antwoord laat zich raden…

God illustreert dit graag met twee bijzondere schepselen. Die nog wel even andere koek zijn dan wat tot nu toe voorbijgekomen is aan dieren… Deze twee zijn namelijk immens. In de NBG-vertaling van 1951 werden ze nijlpaard en krokodil genoemd. En daar zit wel iets in, want bepaalde omschrijvingen doen echt wel aan die dieren denken, maar tegelijk zijn ze veel grootser, monsterlijker zeg maar.
Daarom is het goed dat de NBV het Hebreeuwse woord heeft laten staan: Behemot als eerste. Dat is in die taal eigenlijk een meervoud. Een intensief meervoud, zoals dat heet. ‘Het beestbeest’ vertaalt de Naardense Bijbel dan ook.
De Leviatan is de tweede. Die komen we ook elders in de Bijbel tegen, in de Psalmen en bij de profeten. Daar is die Leviatan een soort oermonster, het beest uit de zee, dat symbool staat voor de chaos en het kwaad. Ja, het is heftig illustratiemateriaal dat God hier biedt. Want tegen dit beest en dit monster kan de mens niets uitrichten. Dat is zonneklaar.
Hoe anders voor de Here God! Het zijn tenslotte zijn scheppingen. In Psalm 104 staat zelfs dat God de Leviatan heeft geschapen om ermee te spelen. Over oneindig kwalitatief verschil tussen Hem en ons gesproken…

Job is hiervan zo diep onder de indruk, over Gods creativiteit en beheersing, dat hij erkent dat hij hiervoor zonder begrip sprak, dat God en zijn wonderen te groot zijn om te begrijpen.
Opnieuw zegt hij te zullen zwijgen en zelfs berouw te hebben, op stof en as. Stof en as waren in bijbelse tijden tekenen van boete, van berouw en nietigheid. Nee, Job doet geen boete over zijn zonden, want die had hij niet concreet begaan. Wel beseft hij nu dat hij verstrikt raakte in z’n vragen en klachten, dat hij op weg was naar de verbittering. Daarom geeft hij zich nu over. Hij beseft dat hij zelf nietig is, zo nietig als de as en het stof waarin hij zit.

De psychiater Esther van Fenema had het ooit over de ‘vergeten groenten’. Ze bedoelde dat overdrachtelijk. Ze bedoelde kwaliteiten die we vergeten zijn in onze tijd en cultuur, maar waarvan geldt dat we ze weer eens vaker op het menu moeten zetten. Zoals schuld en schaamte, bescheidenheid en nietigheid.

Wat die laatste twee betreft: daarin wijst Job ons de weg. Als je Gods onmetelijke schepping inkijkt, vanuit het heelal dat blauwe bolletje ziet, waarop wij maar stipjes zijn, dan maakt ons dat toch bescheiden, dan beseffen we toch onze nietigheid? Maar vooral ook tegenover de Here God, de Almachtige, de Ontzagwekkende. Dan buig je toch je hoofd en leg je je hand op je mond?

Ja, er is iets veranderd bij Job en in Job. Hij zegt het zelf zo (en ik citeer nu uit de meer letterlijke Naardense Bijbel): ‘Van horen zeggen had ik van U gehoord, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd.’
Van horen zeggen… Vanuit de traditie zeg maar. Nog sterker zie je dat bij z’n vrienden. Zij dachten precies te weten hoe God is en hoe Hij werkt, want zo hadden ze het geleerd: als je goed doet, word je gezegend, als je kwaad doet, word je gestraft.
Maar ook Job dacht God te begrijpen, vanuit wat hem overgeleverd was. Maar nu heeft hij zelf God ontmoet, in die storm, in zijn schepping, in zijn antwoord. Daarin heeft hij God gezien. Niet letterlijk, want het Gods spreken, Gods Woord. Maar nu was het bij hem binnengekomen, nu had hij persoonlijk ontdekt dat God regeert, dat het kwaad Hem niet uit de hand loopt, dat God uiteindelijk recht doet en Job niet loslaat.

Daar gaat het om, gemeente: dat we God persoonlijk kennen, Hem zien met de ogen van het geloof zeg maar. En waar zien we God het allerbest? Waar kennen we Hem het allerdiepst? In Jezus, Zijn Zoon. Hij zei het zelf: ‘Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien’. Jezus die de strijd aanging met de Leviatan, met het kwaad, met de zonde en de dood. En dwars door de diepte heen overwon.
Hij is Gods antiwoord zou je kunnen zeggen: het antiwoord tegen het kwaad, tegen de dood, tegen de bitterheid. Hij is ons voorgegaan op de weg van verzet en overgave. Daarom:

Stil, mijn ziel wees stil
en laat nooit los
de waarheid die je steeds omarmd heeft.
Wacht, wacht op de Heer;
de zwartste nacht
verdwijnt wanneer het daglicht doorbreekt.

Amen 

zingen           Hemelhoog 433 ‘Stil, mijn ziel, wees stil’ 

geloofsbelijdenis   met zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus 

zingen           Lied 919:1,4 ‘Gij die alle sterren houdt’ 

dankgebed en voorbeden

collectemoment 

zingen           Hemelhoog 738 ‘Zijn Gods wegen donker, duister’ 

zegen