welkom en mededelingen 

zingen           Lied 972:1,9,10 ‘Hoe goed, o Heer, is ’t hier te zijn’ 

stil gebed 

votum en groet

aanvangstekst        ‘Ik verheug mij in uw wetten, uw woord zal ik niet vergeten.’ (Psalm 119:16)

zingen           Psalm 119:3,6 ‘U dank ik, Heer, in opgetogenheid’  

gebed om de verlichting met de Heilige Geest 

kindermoment

Mezoeza

Weten jullie wat dit is? Ik heb het al eens eerder meegenomen een aantal jaar geleden, maar ik weet niet of je dat nog weet.
Er staan een paar letters op. Nee, geen Nederlandse letters. Wat wel? Hebreeuwse, en ze betekenen: De Almachtige. Wie is dat? De Here God, inderdaad.

Ik zal het maar verklappen: dit is een mezoeza, dat is ook een Hebreeuws woord en het betekent letterlijk ‘deurpost’. Daar hebben Joden dit kokertje ook op bevestigd. Deze heb ik ooit eens meegenomen uit Israël, toen we daar op vakantie waren. Ik was toen nog een arm studentje, dus dit is wel één van de goedkopere. Eigenlijk, op de duurdere soorten, hoort er een luikje op te zitten, dat je kunt opendoen en daar achter zit een stukje papier, opgerold in dat kokertje. En weet je wat er op dat papiertje staat? Woorden uit de Bijbel, uit Deuteronomium 6: ‘Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige.’ Wat zou dat betekenen?

Eigenlijk is dat het geloof in een notendop. Of beter gezegd: in een kokertje, dat dus op de deurpost zit. Elke keer als je naar buiten gaat, je huis uit, of weer naar binnengaat, weer thuiskomt, dan word je er weer aan herinnerd, telkens weer: ‘Zo is de Here God, Hij houdt van mij en daarom zal ik van Hem houden, binnenshuis en buitenshuis.’ En vaak geven Joden die mezoeza dan een kus, met hun lippen, en als ze er niet goed bij kunnen: een handkus: ‘Zoveel houd ik van U Here God, en zo graag wil ik U dienen.’ Mooi hè?! Ik hoop dat jij dat ook wilt en nooit zult vergeten.

schriftlezing      2 Johannes:1-6

zingen           Psalm 118:1 ‘Laat ieder ’s Heren goedheid prijzen’ 

verkonding  Thema: Codetaal en een dringend verzoek

Gemeente van Jezus Christus, 

Johannes legt het velletje papyrus voor zich. Iets kleiner dan een A-viertje. Ook deze brief zal daarop passen…
Hij doopt z’n pen in de inkt en begint te schrijven. Als eerste de afzender, zichzelf dus. Dat is geen onbescheidenheid, maar zo begon iedere brief toen. Dan was ook gelijk duidelijk van wie die brief was… Alleen noemt Johannes z’n eigen naam niet. Hij noemt zichzelf ‘de oudste’. We hoorden vorige week al: dat is een titel voor een ambtsdrager toen, iemand die met gezag sprak en handelde, namens Christus. Johannes noemt zichzelf zelfs ‘dé oudste’. Blijkbaar wisten z’n lezers dan wel wie dat was.

Ja, Johannes gebruikt in feite een soort codetaal. Ook m.b.t. het adres: ‘Aan de uitverkoren vrouw en haar kinderen’. Ook hier geen naam. Bedoelt Johannes een bijzondere vrouw, zoals Martha uit Bethanië, goede vriendin van Jezus, of Maria, Jezus’ moeder? Tja, als het hier over een enkele vrouw gaat, dan is het wel vreemd dat in het vervolg van de brief Johannes in het meervoud schrijft, over ‘jullie’.
Je moet dus bij die vrouw eerder denken aan een groep, aan de gemeente. In het Grieks wordt voor vrouw het woord ‘kuria’ gebruikt. Dat is de vrouwelijke vorm van ‘kurios’, oftewel ‘Heer’, dé titel voor God, voor Jezus. Jezus is Heer. Hij is Kurios.
‘Kuria’ is daar van afgeleid. We horen dat woord trouwens ook terug in ‘kuriakè’, het Griekse woord voor kerk. ‘Kuriakè’, letterlijk: ‘wat van de Heer is’.

Snap je, dat adres in de brief – ‘de uitverkoren vrouw’ - is dus een omschrijving voor de kerk, voor de gemeente. En haar kinderen zijn de gemeenteleden. Ze wordt ‘uitverkoren’ vrouw genoemd, want de kerk is er door Hem, ze is ván Hem en Hij heeft haar uitgekozen. Hij is immers de eerste. Of zoals Jezus zei: ‘Niet jullie hebben Mij, maar Ik heb jullie uitgekozen.’ Gelukkig maar… 
Het blijft een prachtig beeld: de gemeente als een vrouw. We komen dat ook in de Efezebrief en Openbaring tegen: de gemeente als de Bruid van Christus. Het is een liefdevol en tegelijk ook heel sterk beeld.

Dat begin van Johannes’ brief met die versluierde afzender en dito adres - ‘van de oudste. Aan de uitverkoren vrouw en haar kinderen, die ik liefheb’ – dat is dus codetaal. Dat was niet voor de gein of zo. Nee, dat was bittere noodzaak. Want in die tijd werden christenen in het Romeinse Rijk vervolgd. Namen noemen was dan gevaarlijk, voor de direct betrokkenen en hun omgeving. Vandaar die codetaal. Reken maar dat de lezers die code wel konden kraken en zo eigenlijk alleen maar meer bemoedigd werden. Je zou maar ‘uitverkoren vrouw’, oftewel de ‘geliefde van de Heer’ worden genoemd! 

Ja, ook dat tweede briefje van Johannes is zo prachtig. Uit z’n pen vloeit dankbaarheid. Na de groet komt de dankzegging: ‘Ik was zeer verheugd te merken dat verscheidene van uw kinderen de weg van de waarheid volgen.’
Hé: ‘verscheidene’… Blijkbaar volgen niet alle gemeenteleden die weg van de waarheid. Nee, het is geen vanzelfsprekendheid om in het spoor van Jezus te blijven, om in de waarheid te wandelen, oftewel: dichtbij Christus, die de Waarheid is, te blijven.
Toch verblijdt Johannes zich over hen die dat wel doen. Hij laat die blijdschap en dankbaarheid niet ondersneeuwen door wat er aan die gemeente ontbreekt.

Is dat geen les voor ons, gemeente? We kunnen ons zo vaak blindstaren op de gebreken van een gemeente, over dat wat er mis is, dat we geen oog meer hebben voor het goede dat er is. Zo’n houding is wel funest voor de blijdschap. Dan kan je geloofsleven verschralen en verzuren. Dankbaarheid maakt plaats voor bitterheid. Dat Johannes hier, na de groet, mee begint, betekent dat die dankbaarheid prioriteit heeft. Om in de gemeente het goede te blijven zien en te zoeken, en daar dankbaar voor te zijn.

Tegelijk heeft Johannes ook een dringend verzoek aan de gemeente. Een gebod in feite. Nee, het is geen nieuw gebod, maar een gebod dat ze vanaf het begin kennen. Het hoort namelijk echt bij het ABC van het geloof: ‘Heb elkaar lief.’
Het liefdesgebod is inderdaad niet van gisteren. Ook in het Oude Testament vind je het al terug, in de Thora: ‘Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf.’ Jezus zet hier vervolgens in de Bergrede een dikke streep onder en spreekt zelfs over het liefhebben van je vijanden. Jezus heeft daar niet alleen over gesproken, maar de liefde ook voorgeleefd, zelfs zo zeer dat Hij zichzelf voor ons heeft gegeven, uit pure liefde.

Dat is de reden dat Hij ook ons verzoekt, gebiedt, om elkaar lief te hebben. Ja, liefde is een werkwoord. Het komt in de Bijbel echt het meest voor in de werkwoordsvorm. Dat is niet zomaar. Nee, de christelijke liefde is veel meer dan een gevoel. Deze liefde heeft vooral met de wil te maken. Met de beslissing, iedere keer weer, om lief te hebben, lief te blijven hebben.
Het gebod staat inderdaad in de tegenwoordige tijd, als iets dat telkens weer gebeuren moet. Zo’n oud gebod kan immers bij ons sleets raken. Die onderlinge liefde kan versloffen. Daarom die tegenwoordige tijd. Het bijbelstudieboekje over de brieven van Johannes dat de groeigroep gebruikt, heet niet voor niets: ‘Liefdevol gemeente blijven’. Dat is echt geen vanzelfsprekendheid. Dat vraagt continue aandacht én een voortdurende bekering. Toch?

Maar godzijdank is die liefde niet alleen een opgave, maar ook en allereerst een gave. 
Juist vandaag mogen we daar extra bij stil staan, bij het Heilig Avondmaal. Daar mogen we zien, horen en proeven hoezeer God ons liefheeft. Wat Christus voor ons uit liefde heeft gedaan: zichzelf aan het kruis gegeven. Als een volkomen verzoening van al onze zonden, ook van ons gebrek aan liefde, van ons laten versloffen van het liefdesgebod. Christus’ offer - zijn liefde dus - maakt dat allemaal goed. En dat word je in handen gegeven, in brood en wijn. Dat mogen je lippen aanraken, dat mag je in je opnemen, als een veelzeggend teken dat die liefde je helemaal vervult en verzadigt. Ja, ik dacht van de week: eigenlijk zou je het stukje brood dat je ontvangt eerst moeten kussen voordat je het eet. Zoals Joden de mezoeza kussen als uiting van hun liefde voor Gods geboden.

Nee, de geboden en de liefde zijn geen tegenstelling. De belangrijkste – de Tien Geboden – beginnen namelijk met een liefdesverklaring van de Here God: ‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit de slavernij bevrijd heeft.’ Dat is toch fantastisch! Als je daarvan doordrongen bent: van die bevrijdende liefde van God, van Christus gevende en vergevende liefde, als je je zo door Hem láát liefhebben, dan wil je toch niets anders dan Hem op jouw beurt liefhebben en de ander als jezelf?! Dus vanuit de gave volgt de opgave. Vanuit Gods liefde het gebod om lief te hebben. En als je van de Heer houdt, zul je ook volgens zijn geboden leven, zegt Johannes: ‘Liefhebben houdt in dat we leven volgens Gods geboden.’ Niet met tegenzin, maar vol vreugde. Vandaag viert Israël het feest ‘Simchat Thora’ (‘Vreugde der wet’) de slotdag van het Loofhuttenfeest. Dan nemen ze de wetsrollen uit de synagoge in de armen en dansen daarmee in het rond. Vreugde der wet. Ik vind dat zo aanstekelijk. Gods geboden zijn niet om ons te kwellen, maar juist om ons blij te maken. En anderen. En God zelf. Aangestoken door zijn liefde. Daarom:
Lof zij U, Vader, Zoon en Heilige Geest. Halleluja! Amen

zingen           Hemelhoog 629 ’De kracht van uw liefde’  

lezing avondmaalformulier  

zingen Lied 377:1,4,5,6 ‘Zoals ik ben, kom ik nabij’  

nodiging, uitdeling en communie

lofprijzing    

dankgebed en voorbeden         

collectemoment

slotlied          Hemelhoog 473:2 ‘Zegen ons waar we in geloof voor leven’

zegen