aanvangslied Psalm 62:1 ‘Mijn ziel is stil tot God mijn Heer’
stil gebed
votum en groet
openingstekst ‘De HEER wil ik loven zolang ik leef, mijn God bezingen zolang ik besta.’ (Psalm 146:2)
zingen (met combo) Hemelhoog 51 ‘God, ik adem om voor U te zingen’
lezing van het gebod uit Romeinen 13:8-10
zingen Lied 838:3,4 ‘Leer ons het goddelijk beleid der liefde te beamen’
gebed om de verlichting met de Heilige Geest
zingen (kinderlied) (met combo) Hemelhoog 705 ‘Kinderen van de Vader’
kindermoment
Ik wil beginnen met een foto te laten zien.

Een foto van meer dan een halve eeuw geleden. Hij is dan ook zwart-wit. Wie zouden dit nou zijn? Ik met mijn moeder. 56 jaar geleden… Intussen is mijn moeder bijna 80 jaar. Ik ben heel blij met mijn moeder. Juist op moederdag denk ik extra aan haar. Ik ga haar vandaag ook bezoeken. Dan krijgt ze van ons een cadeautje en een dikke zoen. Zo blij zijn we met haar.
Wat hebben jullie vandaag aan jullie mama gegeven?
Waarom ben jij blij met je moeder? Wat kan je moeder goed? Wanneer heb je haar nodig?
Een moeder kan goed zorgen, die kan je troosten als je pijn hebt of verdrietig bent. Als je bang bent, of naar gedroomd hebt, of ziek bent, dan roep je om je moeder toch? Zelfs grote mensen doen dat ook nog… Zo belangrijk zijn moeders.
In de Bijbel staat: 'Een moeder zorgt goed voor het kind dat ze in haar buik gedragen heeft? Ze vergeet haar kind nooit. En zelfs al zou een moeder haar kind vergeten, Ik (zegt God) zal jou nooit vergeten.’ (Jesaja 49:15,16 BGT). Prachtig: een moeder vergeet haar kind niet. O nee. Maar toch kan het gebeuren, dat een moeder niet zo'n goede band met haar kind heeft en omgekeerd. Maar zo is het bij God niet. God is als een moeder, als een vader, die z’n kinderen nooit vergeet, die ons in zijn hart bewaart. Ik hoop dat je dat nooit vergeet. Een goede kindernevendienst en tot straks.
schriftlezing Psalm 131
zingen Lied 836:4,5 ‘Leg Heer uw stille dauw van rust’
tekstlezing Psalm 131:2 'Immers heb ik mijn ziel tot rust en stilte gebracht als een gespeend kind bij zijn moeder; als een gespeend kind is mijn ziel in mij.' (NBG-vertaling 1951)
verkondiging Thema: Zielzorg
Gemeente van Jezus Christus,
‘Ook toeristen hebben een ziel’.
Aldus Joke die ons als kerkenraad gisteren vertelde over en rondleidde door de prachtige Sint-Bavo in Haarlem.
Iedere dag gaat daar in de kerk het monumentale koor een half uur open, waar toeristen dan een kaarsje kunnen branden en een gebedsintentie kunnen opschrijven. Daarvoor zijn twee boeken: ‘vreugde’ en ‘verdriet’. Iedere maandag worden al die gebedsintenties meegenomen in een korte viering in de kerk. Zielzorg dus voor iedereen die aan komt waaien in die schitterende kerk. Want ‘ook toeristen hebben een ziel.’ Het raakte ons diep.
Ook in de Pauluskerk gaat het vanmorgen over onze ziel.
Toen ik Het Groot Nederlands Woordenboek oftewel De Dikke Van Dale opsloeg bij het woord ‘ziel’ stonden daar maar liefst ruim twee pagina’s uitdrukkingen en woorden met ‘ziel’ erin! Een kleine greep: Het snijdt mij door de ziel... Twee zielen, één gedachte... Hij loopt met zijn ziel onder de arm... Zielenleed, zielennood, zielenpoot, zielenroerselen, zielsgelukkig, zielsveel, zielig. Blijkbaar gebruiken we dat woord ‘ziel’ best vaak, maar of we ook echt beseffen wat ermee bedoeld wordt, wat de ziel eigenlijk is: dat is nog een ander verhaal.
Ook in onze tekst draait het om de ziel: ‘Ik heb mijn ziel tot rust en stilte gebracht.’ Dat woord ‘ziel’ is ook maar een Nederlandse vertaling, van een Hebreeuws woord. En dat luidt: ‘nefesj.’ Heeft het Nederlandse woordenboek voor ‘ziel’ al heel wat ruimte nodig, dat geldt zeker voor het Hebreeuwse bij ‘nefesj’! Dat is dan ook een heel lastig te vertalen woord. Allerlei betekenissen spelen door elkaar. Letterlijk betekent dat woord ‘nefesj’ eigenlijk: ‘keel.’ Dus het orgaan om voedsel mee op te nemen of mee te ademen. Vervolgens krijgt datzelfde woord ‘nefesj’ ook een wat minder letterlijke betekenis: ‘levenskracht.’ En dan wordt het een soort innerlijk orgaan, een plek, waar alle emoties samenkomen, waar het verlangen zetelt. Tenslotte is ‘nefesj’ het wezen van de mens, zijn diepste zelf.
In die laatste betekenissen komt het woord in onze tekst voor: als de plek waar de gevoelens gecentreerd zijn. Als het wezen van de mens. Maar die ‘nefesj’, die ziel, is wel iets kwetsbaars. Met name in de Psalmen vind je dat terug. Daar lees je dat de ziel kan hongeren, kan treuren, zelfs verbrijzeld kan worden! Zo kwetsbaar, zo zielig eigenlijk! Onze ziel heeft daarom ook zorg nodig. Zielzorg dus. Maar wie zal die zorg aan onze ziel geven?
Dan is het wel heel opvallend dat er in onze tekst staat: ‘Ik heb mijn ziel tot rust en stilte gebracht’! Eerlijk gezegd keek ik daar wel van op. Het verraste me. Je zou toch veel eerder verwachten: ‘U hebt mijn ziel tot rust en stilte gebracht - U, Here God!’ Maar toch staat er ‘ik.’ Ik heb mijn ziel tot rust en stilte gebracht. Ik ben dus zelf mijn eigen zielzorger. Tenminste, ik kan het zijn. Ik moet het zijn, wil mijn ziel niet verkommeren, niet verwaarloosd worden.
Voor die zielzorg wordt in onze tekst een prachtig beeld gebruikt: ‘Als een gespeend kind is mijn ziel in mij.’ Dan denk je toch aan een baby die net te drinken heeft gekregen. Als deze dan genoeg heeft, dan is hij helemaal rustig, tevreden, stil.
Zo, zegt onze tekst, zo heb ik mijn ziel tot rust en stilte gebracht. Ja, gebracht. Het was dus anders! De rust en stilte waren er dus eerst niet! Zo is het toch ook met zo’n baby’tje. Als dat honger heeft, als dat trek heeft, dan is het allesbehalve rustig, maar één en al beweging. En dacht je dat het stil was?! Man, het schreeuwde de hele boel bij elkaar!
En zo is het met onze ziel ook. Die is niet vanzelfsprekend rustig en stil. Blader het Psalmenboek maar door: ‘Mijn ziel is verschrikt’; ‘mijn ziel weigert zich te laten troosten’; ‘Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij?’ Duidelijke taal toch? Wie herkent die niet? Dat het diep in onszelf allesbehalve stil is, maar dat het er een kakofonie van geluiden kan zijn, van stemmen, van vragen, van angsten, van verdriet? Dat onze ziel een vat vol onrust kan zijn. De Psalmen peilen het, tot op de bodem. Ook in onze tekst, al is het daar dan tussen de regels: ‘Ik heb mijn ziel tot rust en stilte gebracht.’
Het werkwoord dat hier gebruikt wordt, heeft oorspronkelijk te maken met het effenen van een omgeploegde akker: deze egaliseren dus. Je komt dat werkwoord ook tegen voor het bedaren van een woeste zee. Wat een hartverscheurende beelden zijn dat voor onze ziel: een omgeploegde akker, waar diepe voren ingetrokken zijn. Of een onstuimige zee, waar het kolken kan.
Maar nu is bij de dichter van de Psalm die omgeploegde akker geëgaliseerd, die woelige zee tot bedaren gebracht. Zijn ziel is als een stille vijver geworden, waarin de hemel weerspiegeld wordt. ‘Ik heb mijn ziel tot rust en stilte gebracht.’
Hoe dan? Heeft hij een cursus yoga gevolgd? Een bepaalde vorm van meditatie gevonden, waarbij hij alle emoties en begeerten uitgeschakeld heeft? Nee, het geheim zit 'm, denk ik, in die twee woorden waar de Psalm mee begint: ‘een pelgrimslied.’ Een lied Hamaälot, staat er eigenlijk. ‘Lied van de opgang’ betekent dat letterlijk. De liederen Hamaälot, de Psalmen 120 tot en met 134, waren de liederen die gezongen werden door de pelgrims, op weg naar de tempel en weer terug naar huis.
Daar heeft de psalmdichter zijn ziel tot rust en stilte kunnen brengen. Daar heeft hij de juiste zielzorg geleerd. Dus niet door in zichzelf af te dalen, maar door op te gaan naar die plek, waar de HERE te vinden is, waar Hij zich openbaart: de tempel.
Daar had de psalmdichter namelijk zichzelf, zijn diepste zelf, echt leren kennen. Daar had hij ontdekt wie hij zelf is. Direct in de voorhof al: want daar stond een altaar. Een altaar dat duidt op schuld, op zonden, die verzoend moeten worden. Dat ontdek je dus op die plek waar God zich laat vinden, dat je met ongerechtigheden zit, dat je leven niet-recht is voor God, maar zo krom als wat.
Ja, als je dat ontdekt, dan leer je het ook wel af om hoogmoedig te zijn dus. Dan ga je ook anders kijken, vers 1: ‘HEER, niet trots is mijn hart, niet hoogmoedig mijn blik.’ Dat is de ontdekking in de ontmoeting met God. Dat je zelf ook iemand bent met een krom en schuldig leven , met missers en gebreken. Dat het daarom volkomen onterecht is om hoogmoedig te zijn, om op anderen neer te kijken.
Ja, je beter voelen dan anderen, neerkijken op anderen: het heeft ons zo in de greep. Maar in de ontmoeting met de HERE God ontdek je dat daar geen enkele reden voor is. Ook jij bent een klein, schuldig mensenkind. En dat maakt je nederig. Daardoor wordt die akker van je ziel geëffend: de hoge, de hoogmoedige stukken, worden geëgaliseerd. En zo leer je dan ook met andere ogen naar de mensen om je heen te kijken. Zij zijn net als jij ook volledig afhankelijk van Gods genade.
Terug naar die tempel. Dat altaar daar spreekt tegelijk ook over genade, over verzoening. In de ontmoeting met God mag je ook ontdekken, dat wanneer je als berouwvol, klein mensenkind komt, dat God je dan vergeeft. Dat hele schuldige verleden bedekt. Waarom? Ja, dat is die onverklaarbare liefde van God. Dat Hij je om Jezus’ wil aanvaardt, inclusief al je missers en gebreken. Dat je je geliefd mag weten door Hem. Een kind van Hem. Zou je daar niet stil van worden? Zou je ziel daar niet tot rust van komen?
Ja, zo zou het moeten zijn, maar ooit zei iemand tegen me, en ik ben het nooit vergeten, iemand die echt behoorlijke deuken in het leven had opgelopen en daar ook geestelijk moe van geworden was: ‘Ik zou willen dat ik in de kerk echt tot rust kwam, maar het lukt me niet; ik voel me er niet begrepen en bovendien heb ik het idee dat ik er vooral zoveel moet.’ Die woorden brachten me in verlegenheid. Lag het aan diegene of juist aan de kerk? Of aan beiden?
Kijk, allereerst heeft het te maken met een stuk aanvaarding. Gunnen we een ieder echt een plek in ons midden? Ook al is diegene dan misschien anders, ook al komt diegene dan wat minder trouw? Laten we die ander weten dat we blij zijn dat-ie er is, of dat-ie er weer is?
Ten tweede zouden onze kerkdiensten zelf ook een plek van rust en stilte moeten zijn. Een plek, waar we ons eerst geliefd weten, voordat wij gaan liefhebben. Waar we er eerst mogen zijn, voordat we gaan doen. Waar we eerst mogen ontvangen, voordat we geven. Waar we eerst stil zijn, voordat we gaan spreken.
Hoe geef ik mijn ziel, dat kwetsbare orgaan, de juiste zorg? Hoe breng ik het tot rust en stilte? Als we onze ziel als een kind voeden, voeden met de weldaden van God: zijn genade, zijn vergeving, zijn vernieuwing, zijn vervulling door Zijn Geest. Als we onze ziel die voeding onthouden, dan blijft-ie onrustig. Hoe zei Augustinus dat ook alweer? ‘Ons hart - maar je kunt net zo goed zeggen: onze ziel – is onrustig, totdat het rust vindt in U.’
Ik wil nog één aspect van die onrust noemen, dat wat David in vers 1 noemt ‘Ik zoek niet wat te groot is voor mij en te hoog gegrepen.’ Je zou dat met één woord kunnen typeren: streberigheid.
Een streber is iemand die eigenlijk nooit tevreden is: het kan, nee moet, altijd beter, groter, meer. Een nog betere baan, al gaat dit ten koste van zoveel anders. Een nog grotere auto, ook al paste je al drie keer in die vorige. Een nog hogere opleiding voor je kinderen, ook al kunnen die het eigenlijk helemaal niet aan, maar je wilt toch graag goed voor de dag kunnen komen met ze?!
Streben kan ook in godsdienstig opzicht. Presteren voor God, je voor Hem opwerken, zodat Hij echt niet meer om je heen kan. Althans, dat is het idee. Zo van: ‘Kijk nou eens, Here God. Kijk eens naar m'n kerkgang, naar mijn betrokkenheid, naar mijn giftenpatroon, naar hoe ik bezig ben. Kijk eens naar m'n ernst, en dat vergeleken met anderen, die er maar een beetje met de pet naar gooien. Zeg maar eerlijk, Heer, U zult best wel een beetje trots op me zijn, toch!?’
Streberigheid, of dat nu meer aards of juist vroom is; geeft dat onze ziel rust? Nee, natuurlijk niet, want je bent altijd maar bezig om jezelf te bewijzen, zeker ook naar anderen toe. En omdat je steeds meer, groter en hoger wilt, wordt het één jachtige bedoeling. Schiet de stress er zo in. Is de spanning zo groot, dat het tot overspanning leidt. En godsdienst wordt vooral een kramp. Kortom: de ziel, je diepste zelf, is bij dit alles een onrustig vat geworden, een woelige zee, een omgeploegde akker.
Er is maar één remedie. Als een moeder je ziel tot rust en stilte brengen, je ziel als een gespeend kind rustig laten worden in Gods nabijheid. Ja, ‘gespeend kind’ noemt de NBG-vertaling dat. Dat is eigenlijk toch nog iets anders dan een zuigeling. Het was namelijk in de tijd van de Bijbel gewoonte dat kinderen wel tot zo'n jaar of 3 de borst kregen. En als die periode afgelopen was, dan heette zo'n kind een ‘gespeend kind.’ Vandaar dat de NBV het vertaalt met ‘een kind, dat de borst ontwend is.’ Kijk, zo'n kind ging natuurlijk anders met z'n moeder om dan een zuigeling. Het kon langer wachten op voeding, langer stil en rustig zijn in de buurt van z’n moeder.
Als David in onze tekst nu zijn ziel vergelijkt met zo'n kind betekent dat dus ook, dat de ziel anders met God omgaat, een rustiger, vastere verhouding tot God heeft gekregen.
Ik las ergens een mooie omschrijving van wat hiermee bedoeld kan zijn: ‘De ziel kan dan stil geloven, bidden zonder te dwingen, geloven zonder dadelijk te willen zien, hopen zonder dadelijk te krijgen, liefhebben op afstand.’
Zo is het inderdaad in deze korte psalm. Is het u opgevallen? Er wordt niets gevraagd, er wordt niet geklaagd, er wordt niets gewenst. Het is alles rust, stil vertrouwen, totale overgave aan God. In die verhouding staat de ziel tot God.
Je ziel tot die rust, dat vertrouwen, die overgave brengen, is een proces. Met vallen en opstaan. Dat wist David ook. Hij heeft ook andere Psalmen gemaakt. Waar die rust behoorlijk onder spanning staat. Waar het vertrouwen staat te schudden op z'n grondvesten. Waar de overgave nog ver te zoeken is, maar de vragen en de klachten niet van de lucht zijn. Dat alles hoort ook bij het leven met God. Maar einddoel blijft wel dat vertrouwen en die overgave: je ziel als een gespeend kind tot rust en stilte brengen. Ik hoop dat we allemaal onze ziel dat einddoel gunnen en 'm tot dat einddoel willen brengen.
Iemand die daar alles vanaf wist, was Jacqueline v.d. Waals. Zij is de dichteres van één van de bekendste christelijke liederen: ‘Wat de toekomst brengen moge.’ Inderdaad ook een lied van overgave, van rust: ‘Leer mij volgen zonder vragen (ook hier geen vragen meer); Vader, wat Gij doet is goed (als dat geen vertrouwen is). Leer mij slechts het heden dragen met een rustig kalme moed!’ (over rust en stil vertrouwen gesproken!)
Maar denk niet dat het leven van Jacqueline v.d. Waals zo rustig en voorspoedig was. Nee, zij werd ziek, ongeneeslijk ziek: maagkanker luidde de diagnose. Dat vormt wel de donkere, wat zeg ik: inktzwarte achtergrond van ‘Wat de toekomst brengen moge.’ Het geeft zo'n overbekend lied - misschien wel een beetje stuk gezongen intussen - opeens een heel andere, veel diepere dimensie. Want het vertrouwen, de overgave, de rust, zijn wel veroverd, heroverd. Het lied is eigenlijk een bewijs van hoe Jacqueline v.d. Waals ook haar ziel tot rust en stilte heeft gebracht. Hoe zij haar eigen zielzorger werd…
Van haar wil ik tot slot een ander gedicht doorgeven. Waaruit ook blijkt dat zij haar ziel tot rust en stilte heeft gebracht. In de hoop dat we ons erin herkennen of erin herkennen willen:
Nu ligt mijn leven als een stille plas,
een vlak, blauw water op een grote hei,
dat rustig opziet uit een lijst van gras
en riet: een hemelspiegel klaar en blij.
Mijn willen en mijn wensen stierf in mij,
en wat bevreesd, en wat onrustig was,
ging met mijn laatste diepe smart voorbij,
waarvan ik kalm en oud en wijs genas.
Mijn ziel ligt als het vlakke water stil,
dat zelf niets zijn en niets bereiken wil,
maar, wat het ziet, eenvoudig wedergeven.
Ook ik wil niets in eigen ogen zijn,
maar als een hemelspiegel klaar en rein,
de wil van God vervullen in mijn leven.
Amen.
zingen (met combo) Hemelhoog 433 ‘Stil, mijn ziel, wees stil’
gedenken overleden gemeentelid
dankgebed en voorbeden
promofilmpje Love Week
collecten
slotlied Psalm 33:8 ‘Wij wachten stil op Gods ontferming’
zegen