zingen           Psalm 34:1,5 ‘Ik loof de Heer altijd’

stil gebed

votum en groet

openingstekst         ‘God heeft zich ontdaan van de machten en krachten, Hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en in Christus over hen getriomfeerd.’ (Kolossenzen 2:15)

zingen           Lied 972:1,8,9 ‘Hoe goed, o Heer, is ’t hier te zijn’

voortzetting heilig avondmaal

zingen (aan tafel)        Lied 972:10 ‘Geloofd zij God die eeuwig leeft’

gebed om de verlichting met de Heilige Geest 

schriftlezing                        Efeziërs 3:1-13   

zingen           In ons gedeelte klinkt met enige regelmaat het woord ‘geheim’. Daarbij aansluitend zingen we nu Psalm 78:1,2 ‘Mijn volk, ik ga geheimen openleggen’.

tekstlezing   ‘Zo zal nu door de kerk de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend worden aan alle vorsten en heersers in de hemelsferen.’ (Efeziërs 3:10)

verkondiging

Gemeente van Jezus Christus,

Calvijn noemde de Efezebrief eens ‘het Zwitserland van het Nieuwe Testament.’ Ik heb dat eerder in deze serie al eens gememoreerd, maar het blijft een mooie typering, want zo adembenemend het hooggebergte in dat land is, zo hooggestemd is de inhoud van deze brief. De uitzichten zijn er regelmatig adembenemend.
Neem onze tekst, waar het over de kerk gaat. Ja, de kerk. Die heeft vandaag de dag niet altijd zulke beste papieren. In de kerk gaat het wel eens helemaal mis. Het instituut kerk roept ook niet veel enthousiasme op. En in ons werelddeel is de kerk ook nog eens marginaal geworden, een minderheid. Steeds meer mensen zeggen ook prima te kunnen geloven zonder de kerk.
Dit alles is de kerk bekeken vanuit menselijk perspectief. Het al te menselijke. De kerk van onderop bezien zeg maar. Maar de Efezebrief kent een ander perspectief. Van bovenaf. Vanuit Gods oogpunt. Vanuit Zijn bedoelingen. Of zoals onze tekst het zegt: ‘Zo zal nu door de kerk de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend worden aan alle vorsten en heersers in de hemelsferen.’

‘Door de kerk’… De kerk als instrument dus. Als Góds instrument. Zoals ik ergens las: ‘de kerk als plaats van en voor God.’ Dat zijn zeker hooggestemde woorden. Maar komen we nu juist niet naar de kerk om zulke woorden te horen? Om daarvan op te horen? Om zulke vergezichten te krijgen? Om boven het al te menselijke uitgetild te worden? De kerk van bovenaf dus. Als Gods instrument.
Namelijk ‘dat door de kerk de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend zal worden. Letterlijk staat er: ‘de veelkleurige wijsheid van God.’ Dat Griekse woord voor ‘veelkleurig’ werd in die tijd ook gebruikt voor de vele soorten bloemen die er zijn. Is dat geen mooi beeld voor die wijsheid van God? Het beeld van een veelkleurig boeket! In de prachtigste en diepste kleuren die er zijn.
Vanmorgen raadde ik al aan om in dat verband hoofdstuk 1 van de Efezebrief nog eens te lezen. Daar kom je dat veelkleurige boeket tegen, die rijkgeschakeerde wijsheid van God, al die geestelijke zegeningen, die we in Christus ontvangen, door het geloof. Ik zal die nu niet herhalen. Lees dat thuis nog maar eens rustig voor jezelf door. Als een soort dessert na het hoofdgerecht van deze kerkdienst. En geniet dan van die veelkleurige wijsheid van God, en word er door bemoedigd en getroost.

Die veelkleurige wijsheid van God is eigenlijk een andere omschrijving voor het geheim van Christus. Want dat woord ‘geheim’ is in ons tekstgedeelte van vandaag echt de sleutelterm. Het komt drie keer voor. In vers 3: ‘Mij (Paulus dus) is het geheim geopenbaard.’  In het vers erna, vers 4: ‘Mijn (weer Paulus’ dus) mijn inzicht in dit geheim van Christus.’ En vers 9: ‘om voor allen in het licht te stellen hoe het geheim dat in alle eeuwen verborgen was in God, de schepper van alle dingen, verwezenlijkt wordt.’
In het Grieks staat er ‘mystèrion’, waar ons woord ‘mysterie’ van afgeleid is. Maar dat wil niet zeggen dat dit geheim van Christus mysterieus is, een soort geheimleer zeg maar. Nee, vers 9, het vers dat aan onze tekst voorafgaat, zegt het eigenlijk het duidelijkst. Dit geheim was voorheen verborgen. Er lag bij wijze van spreken nog een sluier overheen. Maar met de komst van Christus, en zeker sinds Pinksteren, toen het Evangelie de hele wereld overging, toen is dat geheim  bekend geworden, is die sluier weggehaald, is het geheim verwezenlijkt. En hiervoor heeft Paulus zich intens ingezet. Hij heeft dat bekend mogen maken, als apostel, als gezondene van Christus. En hierdoor was het heil niet alleen meer voor Israël, voor de Joden, maar ook voor de heidenen, voor de niet-Joden. En die christenen in Efeze en omgeving – het eerste adres van Paulus’ brief (die voor het grootste deel zulke heidenen waren, niet-Joden dus), zij mogen daar de vruchten van plukken.

Vers 6 stalt die vruchten uit voor de niet-Joden, ook voor ons dus: ‘Ook mensen uit andere volken delen door hun eenheid met Christus Jezus in de erfenis, zij maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan de belofte.’ Drie keer staat hier het woord ‘delen’. De heidenen delen in de erfenis, ze maken deel uit van hetzelfde lichaam en ze hebben deel aan de belofte. Wat lange tijd enkel en alleen het privilege van Israël was, komt nu ook de heidenen toe. De steen die God met Christus in de vijver van de wereld, middenin in Israël, gooide, trok steeds wijdere kringen.
Ja, het bereikte ook ons kikkerlandje, gemeente. Ons land, waar mensen in de ban waren van de Germaanse goden, met hun wreedheid en wispelturigheid. Hier kwam het Evangelie door mensen als Willibrord en Bonifatius ook aan. En mensen uit dat platte land mochten horen van bevrijding uit de angst, van het kwaad dat in Christus het onderspit moet delven, van de verzoening van onze schuld en van de beloften van God, die het antigif zijn tegen leegheid en doodsheid. Er ontstonden ook hier in dit heidense land gemeenschappen om Christus heen. Die met elkaar Zijn lichaam vormen, dat de kerk is. Waar ook wij anno 2024 deel van uit mogen maken. En met die kerk heeft God dus een bedoeling: dat dat geheim van Christus, die ondoorgrondelijke rijkdom in Hem (hoorden we vanmorgen), die veelkleurige wijsheid van God bekend wordt aan vorsten en heersers.

Ik zei al: dat geheim van Christus is geen geheimleer, is niet iets geheimzinnigs dat wij hier als een soort obscuur en geheim genootschap met elkaar koesteren. Nee, het is juist ook een publieke zaak. Niet voor niets wordt de kerkdienst officieel ‘openbare eredienst’ genoemd. Deze is voor iedereen toegankelijk. Het gaat iedereen aan. Ja, ook de vorsten en heersers, moderner gezegd: onze overheid. Of dat nu plaatselijk is of landelijk. Ook onze overheid moet horen dat het Evangelie ook te maken heeft met hoe we in een land met elkaar omgaan, wat heilzaam is voor onze samenleving, hoe we vreedzaam met elkaar samenleven, wat rechtvaardig is voor mensen, voor álle mensen, hoe we op een goede manier omgaan met de natuur, die we hier in de kerk Schepping noemen, enz.

Het gaat hier echter niet alleen om onze aardse overheid. De Efezebrief biedt immers vergezichten en beziet het van bovenaf. Het gaat ook om ‘de heersers in de hemelsferen.’ We zullen dat nog uitgebreider tegenkomen in het zesde hoofdstuk van deze brief. Maar hier heeft Paulus het er ook al over. Zoals hij dat trouwens in het eerste hoofdstuk ook al deed, in vers 21, waar het gaat over Christus, die in de hemel troont, ‘hoog boven alle hemelse vorsten en heersers, alle machten en krachten.’
Paulus sluit hier aan bij het toenmalige wereldbeeld, of moet ik zelfs zeggen: de toenmalige kosmologie? Met hier beneden de aarde, en boven de hemel. Maar daartussen, dus boven de aarde en onder die hemel van God traceerde men de zogenaamde hemelsferen. Nu zouden we zeggen: de geestelijke wereld. Oftewel  de werkelijkheid die we niet zien, maar waar wel de machten, de duistere machten, de duivel en z’n trawanten, werkzaam zijn. En die naam ‘duivel’ zegt het al: die is afgeleid van ‘diabolos’, oftewel ‘uit elkaar drijver’. De duivel wil niets liever dan Gods goede werk uit elkaar drijven, in de war schoppen, kapotmaken.

Maar wat is nu het geweldige? Dat God hier de kerk tegenover zet, als Zijn  instrument, om die hemelse heersers, die machten, dat hele verduvelde front, te laten zien dat Christus daarboven troont. En dat een ieder die bij Hem hoort, die één is met Hem, tot zijn lichaam behoort, niet langer onder de heerschappij van die antigoddelijke invloeden valt.
Of zoals ik ergens las: ‘De handlangers van de duivel worden door de kerk geconfronteerd met de wijsheid van God. Ze kunnen aan de kerk zien dat God hun boze sinistere plannen doorkruist. Zij zijn uit op oorlog en onenigheid; zij breken de mensheid uiteen in volkeren en religieuze groeperingen die elkaar niet kunnen luchten en zien. Maar God, in zijn wijsheid, is bezig hen te overtroeven! Hij brengt immers vijanden tot elkaar, en laat mensen die elkaar eerst haatten (denk aan de muur tussen Joden en heidenen, maar denk ook aan andere muren die er kunnen zijn), dat die mensen zich nu met elkaar verzoenen. God is bezig een multinational van liefde te vormen waar die duivelse heersers geen vermoeden van hadden! Dat wordt zichtbaar in de kerk, en daarom houdt God de kerk aan hen voor, om duidelijk te maken dat Hij de regie van de wereld in handen heeft. Het mysterie van Christus is slecht nieuws voor de duivel! (…) God is die negatieve machten en krachten te slim af geweest. In Christus is Hij met de vernieuwing van de mensheid bezig. En tweeduizend jaar na de kruisiging van Christus is er dat geheimzinnige netwerk van verzoening over heel de wereld. Zo maakt de kerk, in die zo op het eerste gezicht onooglijke gemeenschap aan het avondmaal, aan de vorsten van het kwaad, duidelijk dat hun heerschappij wankelt.’

Tot zover dit citaat. Het raakt mij. Juist op deze avondmaalszondag. En ik dacht: wat is dat avondmaal dus ook een krachtig getuigenis, een teken voor die duivelse machten. Want juist aan bij heilig avondmaal ontdekken we toch wat verzoening en vrede is. Ook vanavond. Ja, de tafel is wat kleiner. Daardoor zaten we dichter tegen elkaar aan. Eigenlijk heel veelzeggend. Hier worden we toch opnieuw aan elkaar verbonden, als bloedbroeders en -zusters. Die het allemaal moeten hebben van het offer, van het bloed van Christus, dat reinigt van álle zonden. Niemand kan toch zonder! Het maakt ons nederig en klein. Dan kunnen we toch niet onverzoenlijk blijven? Daar worden we toch andere mensen van? Mildere mensen, verzoenlijker, liefdevoller, hoopvoller… Door Hem. Nou, reken maar dat de duivel dan baalt als een stekker, dat het kortsluiting bij hem geeft, dat hij het nakijken heeft.

De theoloog Eberhard Jüngel groeide op in een niet-christelijk gezin in Oost-Duitsland. Dus ver voor de val van de muur. Van huis uit had hij niets met het geloof. Maar hij kwam in de kerk terecht, omdat hij daar – als bijna de enige plek in heel die communistische samenleving van de DDR – de waarheid hoorde. Later, in de aanloop naar de val van de Berlijnse Muur, stroomden de kerken met steeds meer mensen vol. De machthebbers deden daar schamper over. Het waren immers maar godsdienstige samenkomsten: ‘opium voor het volk’. Maar in werkelijkheid gebeurde daar iets wereldschokkends: de samenkomsten in de kerk waren vreedzaam, met een ongekende sfeer van hoop. Daar hoefden mensen niet bang te zijn. Daar proefden ze een nieuwe manier van samenleven. Volgens historici hebben juist al die samenkomsten in de kerk bijgedragen tot de val van het communistische regime in de DDR.
Ik vind het een prachtige uitwerking van hoe Gods veelkleurige wijsheid door de kerk bekend wordt gemaakt aan overheden en geestelijke machten.

En ik hoop, ik bid, dat ook onze kerk zo’n instrument mag zijn. Waar de vrede geproefd en beoefend wordt. Waar de hoop oplicht, waar de angst moet wijken, waar Christus zelf het centrum is, de Bron waar we elkaar vinden en herkennen.
O ja, als instituut kan de kerk onooglijk zijn, onbetekenend, teleurstellend ook. Maar vergis je niet. Van bovenaf is en blijft de kerk een plaats van en voor God.
Daarom: Lof zij U, Vader, Zoon, Heilige Geest. Van nu aan tot in eeuwigheid. Halleluja. Amen

zingen (gezongen geloofsbelijdenis)       Hemelhoog 523 ’Ik geloof in God de Vader’

avondgebed van Ds. Troost 

inzameling van de gaven 

slotlied          Lied 422 ‘Laat de woorden die we hoorden’

zegen